Nieuwenhuis, Theodorus Wilhelmus (Theo)

(Noordscharwoude 1866 - 1951 Hilversum)

a. Frontispiece van Gedichten van Jacques Perk; Amsterdam (S.L. van Looy), 1897; kleurenlitho, 19 x 14,5.

Nieuwenhuis, die uit een eenvoudig plattelandsmilieu kwam, werd aanvankelijk opgeleid tot smid op een ambachtsschool te Amsterdam, waarna hij dankzij een beurs een opleiding voor siersmid en metaalontwerper mocht gaan volgen aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid (1883-1887). Tijdens deze studie raakte hij bevriend met o.a. Gerrit Dijsselhof, Carel Lion Cachet, Joseph Mendes da Costa en Lambertus Zijl. Via de wat oudere schilder Maurits van der Valk kwamen hij en zijn vrienden in contact met andere jonge, progressieve kunstenaars, onder wie een aantal schilders en schrijvers uit de kring van de Tachtigers. In 1888 begon Nieuwenhuis samen met Dijsselhof aan een lange reis door Europa, waarbij ze via o.a. Berlijn, Wenen en München tenslotte in 1889 in Parijs aankwamen, waar ze mee konden werken aan de inrichting van het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling.

b. Stuk bespanningsstof (vlinders/bladeren), ca. 1910/15; jacquard weefsel, 83 x 97 (de totale lap stof).

Terug in Nederland pakte Nieuwenhuis allerlei werk op decoratief gebied aan. Samen met Dijsselhof en Lion Cachet ging hij zich daarnaast bezighouden met grafische experimenten, waarbij ze zich een tijdlang speciaal toelegden op het maken van houtsneden. In deze, op dat moment vrijwel in onbruik geraakte techniek, voerden ze in 1892 een drietal diploma’s uit dat veel aandacht trok. Verder vervaardigden ze o.a. gezamelijk enkele kalenders in kleurenlithografie en, verzorgden, ieder voor zich, de vormgeving van een aantal boeken. De definitieve doorbraak in de carrière van Nieuwenhuis en zijn twee vrienden kwam in 1898, toen de directie van de firma E.J. van Wisselingh & Co, tot dan toe alleen actief als kunsthandel, besloot het bedrijf uit te breiden met een afdeling voor luxe meubel- en interieurkunst met bijbehorende werkplaats. De vrienden werden gedrieën hoofdontwerper van deze afdeling en kregen de gelegenheid te werken met de fraaiste en kostbaarste materialen die verkrijgbaar waren.

c. Stuk bespanningsstof (gestileerde druivetrossen), ca. 1910/14; jacquard weefsel, 125 x 175 (de totale lap stof).

Een van de omvangrijkste projecten voor Van Wisselingh was de inrichting van het huis van het echtpaar Dentz van Schaick-Marloff te Amsterdam (begonnen in 1899, maar pas na de Eerste Wereldoorlog geheel voltooid), waarvan Lion Cachet het leeuwendeel voor zijn rekening nam, maar waarin Nieuwenhuis ook enkele vertrekken mocht verzorgen (en waaraan hij werkte van 1906 tot 1910). Hij ontwierp o.a. betimmeringen, een marmeren schoorsteen, kasten, een schrijftafel en enkele stoelen, twee glas-in-lood-vensters, lampen en een vloerkleed, die alle gekenmerkt worden door een rijke decoratie met symmetrisch gestileerde natuurmotieven, uitgevoerd in verschillende zeer bewerkelijke technieken. In vergelijking met het exuberante werk van Lion Cachet is het zijne echter ingetogener en minder opvallend.

d. Kalenderblad december 1898; kleurenlitho, 32,5 x 25.

Dergelijk royale opdrachten bleven helaas schaars, hetgeen eerst Dijsselhof en daarna Lion Cachet noopte om Van Wisselingh na enige jaren weer te verlaten. Nieuwenhuis bleef na 1906 alleen over en zou de interieurafdeling nog jarenlang leiden. Zijn belangrijkste project na huize Dentz van Schaik was de inrichting van een grote vergaderzaal en enkele kantoorruimtes in het Scheepvaarthuis te Amsterdam (1917-1921). Na de opheffing van de meubelafdeling van Van Wisselingh in 1924 bleef Nieuwenhuis als zelfstandig interieurontwerper werkzaam. Hij ging nu vooral werken voor de Koninklijke Nederlandsche Scheepvaart Maatschappij (later opgegaan in de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij, de voorloper van de huidige NedLloyd). Tot 1935 verzorgde hij de eerste klasse-salons (of onderdelen daarvan) van een tiental schepen, waarbij hij behalve met diverse meubelfabrieken o.a. samenwerkte met Jan Eisenloeffel en Willem Gispen. Daarnaast bleef hij steeds als grafisch vormgever en boekverzorger actief. Nadat hij in 1933 naar Rotterdam was verhuisd, begon zijn gezichtsvermogen te verminderen. Werken werd daardoor al gauw onmogelijk, zodat hij de jaren die hem hierna nog restten werkeloos thuis heeft moeten doorbrengen.

e. Vloerkleed, jaren ’20; wol, ca. 270 x 345.

Behalve door zijn interieurs, waarvan helaas maar weinig intact bewaard is gebleven, is Nieuwenhuis ook bekend geworden door enige ceramiekontwerpen voor de Amsterdamse aardewerkfabriek ‘De Distel’ en vooral door zijn ontwerpen voor bekledings- en gordijnstoffen in trijp en damast. Voor de textielfabrieken Ramaer & Co te Helmond en de ‘Hengelosche Trijpweverij’ heeft hij vanaf ca. 1910 enkele tientallen dessins ontworpen, die behalve door hemzelf door veel andere binnenhuisarchitecten werden toegepast. Zijn stoffen zijn overwegend gedecoreerd met gestileerde plant- en diermotieven en hebben meestal een rustige, voorname uitstraling. Die voorname uitstraling kenmerkt zijn gehele oeuvre. Ondanks zijn gebruik van vaak kostbare materialen en gecompliceerde technieken heeft bijna al zijn werk iets onnadrukkelijks en vanzelfsprekends, waardoor het een haast tijdloze kwaliteit heeft. Het is in het bijzonder deze kwaliteit die hem tot een van de meest vooraanstaande Nederlandse ontwerpers van zijn tijd heeft gemaakt.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

abcde. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel