Zijl, Lambertus

(Kralingen 1866 - 1947 Bussum)

a. Schaal: ‘De tocht naar het licht’, 1891; brons, ∅ 55.

Zijl, wiens vader als lagere ambtenaar bij de rijksoverheid werkte, kreeg zijn opleiding te Amsterdam aan de Quellinusschool (1880-83) en de Rijksschool voor Kunstnijverheid (1883-87), op welke laatste school hij bevriend raakte met o.a. Gerrit Dijsselhof, Joseph Mendes da Costa en Theo Nieuwenhuis. Onder de naam ‘Labor et Ars’ vormde hij met Dijsselhof, Mendes da Costa en Nieuwenhuis een klein clubje dat regelmatig bijeen kwam om over kunst te discussiëren (zie afb. 00). Al gauw raakte hij ook bevriend met C.A. Lion Cachet en kort daarop kwam hij via Dijsselhof in contact met Maurits van der Valk en de overige kunstenaars en schrijvers die deel uitmaakten van de kring van de Tachtigers. Ondertussen deed hij praktische ervaring op bij de steenhouwersfirma Van den Bossche & Crevels, waar vooral decoratieve sculptuur voor gebouwen werd gehakt. Na voltooiing van zijn opleiding startte Zijl met Mendes da Costa een eigen firma. In 1889 gingen ze samen naar Parijs om de Wereldtentoonstelling te bezoeken; ze troffen daar Dijsselhof en Nieuwenhuis, die mee hadden gewerkt aan de inrichting van het Nederlandse paviljoen, en raakten zeer onder indruk van het werk van Auguste Rodin, maar ook van de oude Egyptische en Assyrische beeldhouwkunst in het Louvre. In de winter van 1890/91 hadden ze in Amsterdam een tentoonstelling, waar hun werk de aandacht trok van H.P. Berlage, die er een lovende recensie over schreef.

b. ‘Indische tuin’ (reliëf uit het stoomschip ‘Melchior Treub’), 1913; brons, 97 x 78.

Belangrijke opdrachten bleven echter uit en daarom gingen Zijl en Mendes da Costa in 1892 weer uit elkaar; ze bleven overigens voor de rest van hun leven goede vrienden. Kort daarna werd Zijl door Berlage gevraagd beeldhouwwerk te leveren voor een door hem ontworpen kantoorgebouw, hetgeen het begin zou worden van een jarenlange samenwerking. Hoogtepunt van deze samenwerking werd het befaamde Beursgebouw in Amsterdam (gebouwd 1898-1903), waarvoor Zijl alle bouwsculptuur verzorgde. Hij ontwikkelde hier een strakke, gestileerde vormgeving, waarbij de beelden geheel zijn geïntegreerd in de gevels en niet buiten de muurvlakken uitsteken. Met deze aanpak trok hij veel aandacht als een vernieuwend en origineel beeldhouwer, die bereid èn in staat was zijn werk geheel aan de architectuur aan te passen.
Inmiddels was Zijl ook als ceramist actief. Samen met Chris van der Hoef, zijn assistent, was hij in 1898 door W.C. Hoeker gevraagd om aardewerk te gaan ontwerpen voor diens zojuist opgerichte fabriek ‘Amstelhoek’ en in 1900 kwamen hun eerste ceramische producten op de markt (zie afb. 00). Deze worden gekenmerkt door eenvoudige vormen en een sobere, gestileerde en vaak geheel abstracte decoratie, die vrijwel meteen de aandacht trok van alle in vernieuwing geïnteresseerde critici. Welke ontwerpen uit deze beginjaren van Zijl en welke van Van der Hoef zijn is overigens moeilijk vast te stellen, aangezien de objecten niet werden gesigneerd.

c. Spelende beren (model voor bekroning van trappenbaluster), ca, 1916; gips, hoogte 25.

In 1901 trok Zijl zich terug uit Amstelhoek om zich weer geheel op de beeldhouwkunst te concentreren. Behalve met Berlage ging hij nu ook samenwerken met Lion Cachet, die hem inschakelde bij de inrichting van het huis van het echtpaar Dentz van Schaick-Marloff. Kort daarop verruilde hij Amsterdam voor Bussum, niet ver van Lion Cachets woonplaats Vreeland, van waaruit hij betrokken werd bij het eerste van een reeks nieuwe grote projecten van zijn vriend: de inrichting van de (eerste-klasse) passagiersverblijven van enkele tientallen oceaanschepen voor de vaart naar en binnen Nederlands-Indië. Tot in de jaren ’30 zou hij een grote hoeveelheid decoratieve sculpturale onderdelen van die interieurs ontwerpen: wandpanelen, trapbekroningen, consoles, lichtornamenten etc. in hout, brons, marmer en nog allerlei andere materialen. Dit werk vertoont overigens lang niet zo’n strakke stilering als dat voor Berlage; Lion Cachet liet hem vrij om de plastische, enigszins impressionistisch aandoende stijl te volgen die zijn persoonlijke voorkeur had. Ook de sculpturen die hij af en toe uitvoerde voor andere architecten en interieurontwerpers, onder wie K.P.C. de Bazel, W. Kromhout en A.J. Kropholler, ogen veel vrijer en zelfstandiger dan die voor Berlage, voor wie hij trouwens na 1914 weinig meer heeft gedaan.

d. IJsbeer (ca. 1925/30), Staand meisje (1900), Staand jongetje (1900), Jongensbuste (ca, 1902); brons, hoogte 18, 17, 22 en 20.

Naast beeldhouwwerk voor gebouwen en interieurs heeft Zijl ook altijd kleinplastiek vervaardigd, voornamelijk in brons, waarmee hij veel succes heeft gehad. Tevens heeft hij enkele penningen en plaquettes gemaakt. Slechts éénmaal werd hij in de gelegenheid gesteld zelfstandig een groot, vrijstaand beeld uit te voeren: het monument voor koningin-moeder Emma, dat in 1938 in Amsterdam werd onthuld. Hoewel hij veel werk in dienst van anderen heeft gemaakt, geldt hij als een de belangrijkste en invloedrijkste beeldhouwers van zijn tijd, die samen met Mendes da Costa de Nederlandse beeldhouwkunst aan het begin van de 20ste eeuw wist te bevrijden van het academisch classicisme dat tot dan de toon aangaf.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

abcd. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel