Zeegen, Adrianus (Janus) van

(Amsterdam 1881 - 1966 Amsterdam)

a. ‘Diepzeetuin’, ca. 1915/20; pastel en ‘snijtekenkunst’, op karton, 146,5 x 100.

Van Zeegen, wiens vader gipsgieter en modelleur was, volgde van 1891 tot 1896 de Teekenschool voor Kunstambachten, waar hij o.a. les kreeg van Pieter Dupont, maar vormde zich verder grotendeels zelf, met behulp van adviezen van Jan Toorop (die hem ook enige tijd financieel steunde) en Jan Sluijters, die een jeugdvriend van hem was. Van Zeegen, die zijn hele leven in Amsterdam woonde en nauwelijks gereisd heeft, ontwikkelde al vroeg een zeer persoonlijke stijl, die gekenmerkt wordt door een amorfe, intuïtieve manier van vormgeven, waarbij hij zich sterk door het toeval liet leiden. Soms bracht hij de verf zo dik op, dat er een kleurig reliëf ontstond, en een tijdlang mengde hij zand en andere fijn materiaal door zijn verf, waarmee hij een voorloper van de materie-schilderkunst is geweest. Zijn onderwerpen – uitgangspunten is wellicht een betere term – zijn vaak spectaculaire natuurverschijnselen en onderwatertaferelen; voor de laatste deed hij dikwijls inspiratie op in de Artis, waar hij veelvuldig het aquarium bezocht. Behalve in olieverf werkte hij ook graag in krijt en pastel op dik karton, waarin hij vaak (vooral na 1933) met gutsen een reliëf-achtige structuur aanbracht. In 1927/28 beschilderde hij vijf ramen met aquariumtaferelen in het raadhuis van Amsterdam (die echter later verloren zijn gegaan vanwege technische onvolkomenheden) en verder heeft hij tussen 1914 en 1925 borduurwerk ontworpen, veelal met voorstellingen met dieren en andere natuurmotieven, dat werd uitgevoerd door zijn zuster Christina (1890-1973).

b. Ondergaande zon, jaren ’20; olieverf op doek, 153 x 108.

Van Zeegen behoort tot de groep kunstenaars die rond de Eerste Wereldoorlog begon te experimenteren met allerlei, vaak zeer uiteenlopende manieren om het bovennatuurlijke en het ‘hogere’ in visuele vorm weer te geven en daarbij tot een bijna volledige abstracte vormentaal kwam. Zijn ideeën en theorieën over kunst heeft hij in een aantal schriftjes neergeschreven (deze bevinden zich in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag), maar wat hij nu precies wilde wordt daaruit niet erg duidelijk. Wel valt uit de titels van sommige werken op te maken dat ze de visuele neerslag van visioenen en dromen zijn. Een duidelijke stilistische ontwikkeling is moeilijk in zijn werk te onderkennen. Bepaalde motieven duiken steeds opnieuw op en bovendien dateerde hij zijn werk bijna nooit. Hij exposeerde geregeld bij diverse op vernieuwing gerichte verenigingen, zoals De Moderne Kunstkring, De Onafhankelijken en Het Signaal, en had in 1931 ter gelegenheid van zijn 50ste vejaardag een ‘eretentoonstelling’ bij kunsthandel A.J. Speyer & Zoon in Amsterdam. Doorgaans werd zijn werk welwillend gerecenseerd, al valt hier en daar tussen de regels door te lezen dat de critici niet altijd zo goed wisten wat ze er mee aan moesten. Zijn schilderijen en tekeningen, die vaak forse formaten hebben, intrigeren zeer en laten goed zien dat hij geen virtuoos, maar wel een zeer gedreven kunstenaar is geweest.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ab. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel