Sluijters, Johannes Carolus Bernardus (Jan)

(Den Bosch 1881 - 1957 Amsterdam)

a. Salomé, ca. 1920; krijt en aquarel, 81 x 60 (langdurig bruikleen part. Coll.).

Sluijters kreeg zijn eerste tekenlessen van zijn vader, die houtgraveur en illustrator was. Na de HBS volgde hij in Amsterdam de Rijksnormaalschool (1897-1900) en daarna tot 1904 de Rijksakademie. Ondertussen illustreerde hij geregeld boeken om in zijn levensonderhoud te voorzien. In 1903 werd hij gewoon lid van Arti et Amicitiae. In 1904 kreeg hij een Koninklijke Subsidie en deed vervolgens mee aan de wedstrijd voor de Prix de Rome in de schilderkunst, welke hij won. Met de beurs die hij hierdoor kreeg maakte hij een studiereis door Italië en Spanje, waarna hij in 1906 enige maanden in Parijs verbleef. Daar raakte hij sterk onder de invloed van het fauvisme, hetgeen zijn werkwijze ingrijpend veranderde. De wervelende, kleurige scènes uit het Parijse nachtleven die hij naar Nederland zond, schokten de docenten van de Rijksakademie dusdanig dat zijn beurs werd ingetrokken. Hij keerde noodgedwongen terug naar Nederland, waar zijn werk al gauw de aandacht trok van vele andere jonge kunstenaars, zodat hij, samen met o.a. Piet Mondriaan, een aanvoerdersrol kreeg in de Nederlandse avant-garde.
Nadat hij van 1909 tot 1911 in Laren had gewoond, vestigde Sluijters zich weer in Amsterdam, waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen. Net als Mondriaan experimenteerde hij enige tijd met een kubistische manier van schilderen en maakte hij rond 1914 enkele bijna abstracte composties, maar deze ontwikkeling zette niet door. In de loop van de Eerste Wereldoorlog werd zijn kleurgebruik weer wat minder hard en zijn vormgeving weer iets naturalistischer, totdat hij langzamerhand, zo rond 1920, tot een zeer virtuoze tussenvorm van impressionisme en expressionisme kwam, waaraan hij de rest van zijn loopbaan min of meer trouw zou blijven.

b. Portret van de voordrachtskunstenares Annie Boucke, 1925; olieverf op doek, 200 x 115 (langdurig bruikleen part. Coll.).

Dankzij deze manier van werken kreeg hij al gauw veel succes. Zo werd hij in 1920 tot stemhebbend lid van Arti et Amicitiae verkozen, nadat hij in 1911, 1914, 1916 en 1919 hiervoor nog te modern was bevonden door de ledenvergadering van deze niet zo vooruitstrevende vereniging. Vanaf de tweede helft van de jaren ’20 gold hij als een van de meest vooraanstaande Nederlandse kunstenaars, hetgeen onder meer tot uiting kwam in een aantal grote overzichtstentoonstellingen ter gelegenheid van zijn 50ste, 60ste en 70ste verjaardagen in het Stedelijk Museum van Amsterdam en in diverse onderscheidingen en andere eerbewijzen. Na zijn overlijden werd hij vanuit het Stedelijk Museum als een ware nationale held ten grave gedragen.

Sluijters heeft zeer uiteenlopende onderwerpen geschilderd: landschappen, stadsgezichten, stillevens, interieurs, figuurstukken en naakten, die tegenwoordig tot de duurste Nederlandse schilderijen uit de 20ste eeuw behoren. In de jaren ’20 en ’30 heeft hij ook veel portretopdrachten uitgevoerd. Verder heeft hij veel getekend en geaquarelleerd, litho’s gemaakt (waaronder in 1914-20 een serie opmerkelijke politieke prenten voor het links-radicale weekblad De Nieuwe Amsterdammer), en allerlei drukwerk ontworpen (en vaak zelf gelithografeerd), variërend van affiches tot postzegels.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

a. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel