Comte, Adolf le

(Rijswijk 1850 - 1921 Den Haag)

a. De Amsterdamse Stedenmaagd (uitvoering De Porceleyne Fles), 1900; tableau van sectieltegels, 273 x 150 (langdurige bruikleen ICN).

Op aandringen van zijn vader, die leraar Frans was en vanaf 1863 les gaf aan de HBS in Delft, ging Le Comte na het gymnasium aan de Faculteit der Letteren in Leiden studeren. In 1869 besloot hij dat hij toch liever kunstenaar wilde worden en ging aan de Polytechnische School in Delft de cursus voor de MO-akte tekenen volgen, die door de afdeling Bouwkunde gegeven werd. In 1871 maakte hij een reis door Duitsland en volgde kort de lessen aan de kunstnijverheidsscholen in Karlsruhe en Düsseldorf. Nadat hij in 1872 zijn akte behaald had, ging hij voor een jaar naar Parijs, waar hij werkte op een decoratie-atelier en daarnaast naar model tekende aan enkele vrije academies. Het jaar daarop keerde hij terug naar Delft, waar hij al gauw enkele opdrachten kreeg voor het ontwerpen van decoraties aan gebouwen. Hij trok hiermee de aandacht van Eugen Gugel, hoogleraar bouwkunde aan de Polytechnische School, die hem vroeg zijn assistent te worden. Vanaf 1874 doceerde Le Comte in Delft het vak ornamentleer, terwijl hij daarnaast les gaf aan de Academie in Den Haag om zijn inkomen wat aan te vullen. In de loop van de jaren verslechterde de verhouding met Gugel echter en omdat ook de zijns inziens noodzakelijke verbeteringen in het onderwijs uitbleven, nam Le Comte in 1894 ontslag bij de Polytechnische School. In 1902 werd hij opnieuw docent, nu aan de Rotterdamse academie, waaraan hij tot 1908 verbonden zou blijven.
Naast het les geven heeft Le Comte altijd voldoende tijd overgehouden om zelf als ontwerper actief te blijven. Zo werd hij in 1877 ‘artistiek adviseur’ van de Delftse aardewerkfabriek ‘De Porceleyne Fles. Nadat hij eerst enige tijd vazen, schotels en tegeltableaus in Oudhollandse stijl had ontworpen, gebaseerd op het Delftse aardewerk uit de 17de en 18de eeuw, ontwikkelde hij, in nauwe samenwerking met de technische staf van de fabriek, in de jaren ’90 enkele nieuwe product-types met een meer eigentijdse vormgeving, zoals het ‘Berbas’- en het ‘reflet metallique’-aardewerk (vanaf 1891 in productie), het ‘Jacoba’-aardewerk (vanaf 1897), en het ‘porselein biscuit’ (vanaf ca. 1900). Daarnaast was hij betrokken bij de ontwikkeling van de zogenoemde ‘sectieltegels’ voor het vervaardigen van decoratieve tableaus op gevels van gebouwen. Deze tegels waren goed bestand tegen weersinvloeden en hadden niet, zoals gebruikelijk, een rechthoekige vorm, maar volgden de lijnen in de voorstelling. In 1900 won De Porceleyne Fles met een sectieltegeltableau met de Amsterdamse Stedenmaagd (zie de afbeelding) een gouden medaille op de wereldtentoonstelling in Parijs, waarna er vele bestellingen volgden.

b. Twee ontwerptekeningen voor glas-in-lood-ramen in het vredespaleis, ca. 1913; gouache, beide 42,5 x 15 (langdurug bruikleen familiearchief Van Dunné, Den Haag).

Inmiddels was Le Comte in 1891 voor een tweede Delftse firma gaan werken, die echter op een heel ander terrein actief was: het atelier voor glas-in-lood “t Prinsenhof’, dat was opgericht door zijn oud-leerling Jan Schouten. Ook hier ontwierp hij aanvankelijk in een historiserende stijl, die tegen 1900 evolueerde tot een op de internationale Art Nouveau geïnspireerde vormgeving. ’t Prinsenhof zou in de loop van de jaren vele tientallen ramen naar zijn ontwerp uitvoeren, zowel voor profane gebouwen zoals banken, stations en kantoorgebouwen als voor kerken (voornamelijk protestante). Het meest prestigieuze project vormen de zeven grote ramen in de hal van het Vredespaleis in Den Haag (1913). Verder werden er regelmatig restauraties uitgevoerd, onder meer aan de 17de-eeuwse vensters van de Sint Jans-kerk in Gouda (de wereldberoemde ‘Goudse Glazen).
Tenslotte is Le Comte ook nog in een heel andere functie actief geweest, namelijk als directeur van Museum Lambert van Meerten in Delft. Dit museum was gehuisvest in het voormalige woonhuis van zijn naamgever, een vooraanstaand Delfts industrieel en verzamelaar van oude kunst en kunstnijverheid. Deze had het huis in 1893 door Le Comte laten ontwerpen met de bedoeling er te zijner tijd een museum van te maken. Van Meerten ging echter in 1902 failliet en zijn collectie werd geveild. Het huis werd daarop door een groep Delftse notabelen (onder wie Schouten) aangekocht en aan de staat geschonken om er alsnog een kunstnijverheidsmuseum in te vestigen. In 1908 ging dit museum open met Le Comte als directeur. Hij zou dit tot 1918 blijven (het museum bestaat nog steeds en is tegenwoordig een van de gemeentelijke musea van Delft).
Door al deze verschillende activiteiten is Le Comte, die ook nog geschilderd en getekend heeft (voornamelijk landschappen), een invloedrijke figuur in de kunstwereld van zijn tijd geweest. Mede dankzij hem was Delft in de periode rond 1900 een vooraanstaand centrum voor de Nederlandse kunstnijverheid. Doordat hij nieuwe ideeën niet alleen zelf uitprobeerde, maar via zijn lessen ook op zijn leerlingen overbracht, heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de vernieuwing van de Nederlandse toegepaste kunst.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

a.. H. Krüse, Delft