Essen, Johannes Cornelis van (Jan)

(Amsterdam 1854 - 1936 Scherpenzeel)

Jan Cornelis (‘Jan’) van Essen [afb. 1] werd geboren in 1854 in Amsterdam en vernoemd naar zijn vader, die werkzaam was als kantoorbediende. In tegenstelling tot zijn jongere broer Engelbertus trad hij niet in zijn vaders voetsporen. Op zijn zeventiende ging hij in de leer bij Petrus Franciscus Greive (1811-1872). Na diens overlijden vervolgde Van Essen de lessen bij Hendrik Valkenburg (1826-1896). Wanneer Van Essen bijna twintig is, is hij leerling af en betrekt zijn eigen atelier nabij het Vondelpark in Amsterdam.

1. Jan van Essen in zijn atelier, foto afkomstig uit Archief Kunsthandel Frans Buffa & Zonen (0554), inv.nr. 44, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Op het atelier van Greive raakte Van Essen bevriend met J.S.H. (Hein) Kever (1854-1922). Met hem en Willem Steelink jr. (1856-1928) trok Van Essen erop uit naar Laren (NH) en de omgeving van ’t Gooi. In deze periode schilderde hij voornamelijk landschappen en een enkel stadsgezicht. Vanaf 1873 exposeerde Van Essen zijn landschappen geregeld op de tentoonstellingen van Levende Meesters en op de exposities van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, waar hij vanaf 1881 lid van was [afb. 2]. In 1885 werd Van Essen lid van de Hollandsche Teekenmaatschappij, waar hij tussen 1885 en 1913 vrijwel jaarlijks exposeerde. Ook was hij lid van Pulchri Studio, het selecte Amsterdamse Kunstgezelschap Michel Angelo Buonarrotti (M.A.B.) en de grafische vereniging De Distel. In 1890 volgde hij Jan Six op als secretaris van de commissie van toezicht van het Rijksmuseum.

2. Rivierlandschap, 1880 gedateerd, olieverf op paneel, 20 x 31 cm, veiling Amsterdam (Christie’s), 6 september 2006, lot 173

Zijn doorbraak beleefde Van Essen in 1885 met diervoorstellingen, die hij ging schilderen na een ontmoeting met de Engelse animalier en vriend van Matthijs Maris, John Macallan Swan (1847-1910) [afb.3]. Vooral Jacobus Slagmulder, eigenaar van de Amsterdamse kunsthandel Frans Buffa & Zonen, stimuleerde de verkoop van deze dierenschilderijen- en aquarellen. Hij verzorgde voor Van Essen in de loop der jaren ook verschillende solotentoonstellingen.1 De werken met leeuwen, tijgers of panters waren erg populair bij het nationale en internationale publiek. In Nederland waren de roofdieren van Van Essen te vinden in de collecties van verzamelaars als Abraham Willet (1825-1888) en Carel Daniel Reich (1837-1922) [afb.4]. Overigens was de relatie tussen Slagmulder en Van Essen niet alleen zakelijk. Ze waren goed bevriend en jaagden samen.2 Tussen 1880 en 1914 verhandelde ook Herman Tersteeg (1845-1927) van het Haagse filiaal van de kunsthandel Boussod, Valadon & Cie (Goupil) Van Essens werk. Mogelijk bestelde de kunsthandel schilderijen en aquarellen van landschappen en slootjes met eenden bij hem. Van Essen zei daar zelf over: ‘ik heb veel bestelling op dit werk, ook van die Mauve-achtige dingetjes.’ [afb. 5]3

3. Rustende leeuwin, 1885 gedateerd, olieverf op paneel, 40,7 x 51,2 cm, Rijksmuseum Amsterdam (inv.nr. SK-A-2981) (legaat C.D. Reich)
4. Maraboe, 1886 gedateerd, aquarel, 492 x 300 mm, Museum Willet Holthuysen (inv.nr. TA 12533)

Uit recensies blijkt een uitgesproken voorkeur voor de diervoorstellingen en dan met name voor de wijze waarop Van Essen leeuwen en tijgers verbeeldde: ‘[…] de mooie goudbruine kleur van de harige huid is de wellust van zijn penseel.’4 Ook over Van Essens schetsen en studies, in 1927 het onderwerp van zijn solotentoonstelling bij Buffa, was men zeer te spreken omdat daarin het moment goed gevangen was en deze de ‘frischheid van den eersten indruk hebben behouden’, die volgens een recensent nog wel eens verloren ging in zijn grote, ‘minutieus voltooide schilderijen’.5 Hij werd gezien als een veelzijdig talent, maar deze veelzijdigheid had ook een keerzijde. In de loop der jaren was men van mening dat het eigen karakter van de kunstenaar niet voldoende tot uitdrukking kwam in zijn werk. Behalve de succesvolle diervoorstellingen bleef Van Essen overigens ook landschappen schilderen. Later in zijn carrière kwamen daar jachttaferelen en jachtstillevens bij, en wat sentimenteel aandoende hond portretten die hij in opdracht uitvoerde.

Eenden aan de waterkant, olieverf op paneel, 15 x 58,5 cm, veiling Den Haag (Venduehuis), december 2017, lot 281

Met Willem Steelink jr. raakte Van Essen al vroeg bevriend en dat zou zijn hele leven zo blijven. Ze etsten samen en trokken erop uit om buiten te schilderen. In Renswoude deelden ze een atelier en in 1892 verhuisden ze met hun echtgenotes naar Scherpenzeel. Tussen 1899 en 1913 woonden Van Essen en zijn vrouw Wilhelmina Christina Gruijters in Den Haag, waar ze hun intrek namen in een huis aan de Statenlaan. Daarna vertrok Van Essen weer naar Scherpenzeel, waar hij in 1936 overleed.

Auteur: Evelien de Visser

Noten

1. In 1898, 1910, 1917 en 1927 werden door Slagmulder solotentoonstellingen bij de kunsthandel Frans Buffa en Zonen georganiseerd.

2. N.H. Wolf, ‘Eere-Tentoonstelling van Werken van N. Bastert en Jan van Essen. Arti et Amicitiae, Amsterdam’, De Kunst (nr. 839), 23 februari 1924, p. 242. Van Essen gaf het jagen op toen hij zich in 1894 per ongeluk in zijn eigen hand schoot bij het beklimmen van een hek. Zijn linkerarm moest worden afgezet en hij kreeg een kunsthand.

3. H.M. Krabbé, ‘Jan van Essen’, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 2 (1897), p. 7.

4. Ongeïdentificeerd krantenknipsel uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant, gedateerd 27 maart 1898 (collectie Persdocumentatie (RKD).

5. Anoniem, ‘Frans Buffa & Zonen. Jan van Essen.’, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 9 juni 1927.

Literatuur

  • Aty Brunt, ‘Jan van Essen’, Eigen Haard 7 (17 februari 1912), p. 101.
  • Gio, ‘Jan van Essen’, Algemeen Handelsblad, 27 april 1910.
  • A.C. Loffelt, ‘Tentoonstelling Jan van Essen bij Buffa’, Het nieuws van den dag, 1 april 1898.
  • K. Roodenburg, ‘Johannes (‘Jan’) Cornelis van Essen 1854-1936’, in: tent.cat. Kunstenaars op de Noordwest Veluwe 1880-1930. Een speurtocht, Harderwijk (Veluws Museum) 1992, p. 56-61.