2019 december

  • Van de voorzitter
  • Evenement (1): bezoek aan Alkmaar
  • Fotoimpressie (1): bezoek Huizen
  • Evenement (2): bezoek aan BRAFA in Brussel
  • Fotoimpressie (2): bezoek Tilburg
  • Mededelingen van het bestuur
  • Fotoimpressie (3): bezoek Voorburg
  • De glas-in-loodramen van Johan Thorn Prikker en Harm Kamerlingh Onnes in het Nationaal Glasmuseum in Leerdam
  • Nieuwe kunstenaarsmonografieën: Cornelis Vreedenburgh
  • De toegangshekken van Van Kempen en Begeer in Voorschoten en Villa Rams Woerthe in Steenwijk
  • Boekbespreking: Van Goghs intimi. Vrienden, familie, modellen
  • Nieuwe uitgaven
  • Korte mededelingen
  • Tentoonstellingsagenda

Klik hier om de PDF te downloaden

Zaterdag 18 januari 2020: bezoek aan Alkmaar met o.a. uitreiking Scriptieprijs 2019

Op zaterdag 18 januari zullen weer de tweejaarlijkse scriptieprijzen worden  uitgereikt. De VVNK heeft studenten kunstgeschiedenis,  cultuurwetenschappen en architectuur die een scriptie hebben gemaakt op het gebied van kunst en/of architectuur in de periode 1880-1940, gevraagd mee te doen. De winnaars houden een presentatie over hun onderwerp. De prijzen worden uitgereikt in Stadskaffee Laurens, het voormalig politiebureau.

Na de uitreiking en de lunch is een bezoek gepland aan Het Hooge Huys en aan de tentoonstelling De Toorop Dynastie in Stedelijk Museum Alkmaar. Het pand met de naam Het Hooge Huys werd in opdracht van de voormalige gelijknamige verzekeringsmaatschappij gebouwd. Het gebouw is samen met het ernaast liggende politiebureau ontworpen door Alexander Kropholler (1881-1973) in de stijl van het traditionalisme.

 

Maandag 27 januari 2020: bezoek aan de BRAFA (Brussels Art Fair), Brussel

De BRAFA (Brussels Art Fair) heeft de VVNK uitgenodigd voor een Vriendendag op de BRAFA op maandag 27 januari 2020. De BRAFA trekt jaarlijks meer dan 65.000 bezoekers. Zowel ‘kopers’ als ‘kijkers’ zijn welkom. De beurs wordt van zondag 26 januari t/m zondag 2 februari 2020 gehouden en is in 65 jaar uitgegroeid tot een belangrijk internationaal evenement. Het is de oudste kunstbeurs ter wereld, en behoort tot de top 5 kunst- en antiekbeurzen. Aan de beurs doen 133 kunsthandels uit 14 landen mee: variërend van kunst uit de klassieke oudheid tot hedendaagse kunst. Er is ook altijd veel werk van Nederlandse kunstenaars uit de periode 1880-1940 te zien. Volgens de organisatie is de BRAFA niet slechts een kunstbeurs, maar een gebeurtenis gewijd aan de bevordering van kunst in al zijn vormen.

Sluiter, Jan Willem (Willy)

(Amersfoort 1873 – 1949 Den Haag)

a. Onbekend. Willy Sluiter met het ontwerp voor het affiche van Bakker en Zoon, Ridderkerk, 1908. Foto, 11,8 x 8,9 cm. Den Haag: RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

Willy Sluiter was een veelzijdig en ondernemend kunstenaar. Hij woonde en werkte op veel verschillende plaatsen en wist met zijn zakelijke instinct, betrokkenheid en sympathieke karakter al op jonge leeftijd een succesvolle carrière op te bouwen. Tot zijn onderwerpen koos hij vooral zijn medemens en diens alledaagse omgeving, alhoewel hij dit deed op zeer verschillende manieren. Zo vond hij inspiratie in het vissersleven van Scheveningen, Katwijk en Volendam maar ook bij de Haagse elite tot aan het Koninklijk Huis aan toe. Naast schilderijen en tekeningen maakte Sluiter vanaf het begin van zijn carrière ook affiches en karikaturen, en oogstte waardering met zijn rake en humorvolle illustraties.1

Sluiter werd op 23 mei 1873 geboren in Amersfoort als oudste zoon van een notaris. Hij ging in Dordrecht naar het Stedelijk Gymnasium en tijdens de tekenlessen die hij volgde, openbaarde zijn artistieke talent zich. In plaats van in het spoor van zijn vader het notariaat te volgen, koos hij ervoor om dit talent verder te ontwikkelen. Dit gebeurde onder aanmoediging van de kunstenaar Bernard Blommers, aan wie vader en zoon Sluiter na het eindexamen van Willy een bezoek hadden gebracht. Op voorspraak van Blommers werd Willy in 1890 aangenomen op de Academie voor Beeldende Kunsten en Wetenschappen in Rotterdam.2

b. Handgemaakte tentoonstellingsaffiche voor een tentoonstelling bij Teekengenootschap Pictura (december – januari 1908), Dordrechts Museum

Willy’s carrière als kunstenaar kende een vliegende start. Na zijn tijd op de Academie af te hebben gesloten met zilveren medaille, werd hij lid van de Dordtse Teekenmaatschappij Pictura. Hij vestigde een eigen atelier in Scheveningen en volgde vanuit daar aanvullend onderwijs aan de Haagse Academie. Hij hield goed contact met Blommers en diens kring en werd als ‘buitenlid’ toegelaten tot het Haagse schilderkunstig genootschap Pulchri Studio. In 1895 kreeg hij bij Pictura zijn eerste solotentoonstelling en bleef vanaf dan regelmatig deelnemen aan haar ledententoonstellingen. Wanneer hij een jaar later terugkeerde naar Dordrecht, werd hij bovendien gekozen om plaats te nemen in het bestuur.3

c. Gezicht op Dordrecht bij IJsgang, 1897, Dordrechts Museum

In 1901 trouwde hij met Agathe van Nievervaart (1874-1957) en samen vestigden ze zich in Katwijk. Ook hier zette hij zich in voor het lokale culturele leven. Zo was hij er betrokken bij de organisatie van tentoonstellingen en was hij in 1908 één van de oprichters van de Katwijkse Kunstvereeniging.4

d. Een Katwijkse vissersvrouw, 1908, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Ondertussen nam de populariteit van zijn schilderijen en tekeningen toe en deed hij uitstekende zaken.5 Sluiters succes strekte zich ook uit voorbij de grens; vanaf 1900 zond hij schilderijen in naar internationale tentoonstellingen, waar hij werk verkocht en geregeld in de prijzen viel.6

Vanaf 1916 woonde Sluiter in Den Haag. Op het moment van de verhuizing was hij slechts 43 jaar maar al een kunstenaar met een gevestigde reputatie in binnen- en buitenland. Anders dan leeftijdsgenoten zoals Mondriaan en Van Dongen hield Sluiter zich afzijdig van de internationale vernieuwingen in de moderne kunst, maar stortte zich vanaf dat moment op het portretteren van de Haagse elite. Zijn uitgebreide en goed onderhouden netwerk bracht hem voldoende portretopdrachten voor een goed inkomen en daarnaast vervulde hij nog verschillende culturele bestuursfuncties.7

In 1948 werd Willy Sluiter ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag geëerd met een overzichtstentoonstelling bij Pictura, een jaar later overleed hij. Werk van Sluiter is onder andere te vinden in de collecties van het Boijmans van Beuningen, Rijksmuseum, Singer Laren, Dordrechts Museum en het Katwijks Museum.

Auteur: Julia Krikke

Noten

1. Peter Marijnissen, “Willy Sluiter, de populaire gentleman-kunstenaar”, p. 11 in Moniek Peters en Peter Marijnissen red, Willy Sluiter: Gentleman-kunstenaar 1873-1949 (Dordrechts Museum, 1999). Tentoonstellingscatalogus.

2. Marijnissen, “Willy Sluiter, de populaire gentleman-kunstenaar”, p. 12; Arend-Jan Sleijster, Willy Sluiter en de kunstvereniging Katwijk, 1908-1910 (Katwijk: Stichting Katwijks Museum, 2008), p. 111.

3. Marijnissen, “Willy Sluiter, de populaire gentleman-kunstenaar”, pp.13-16.

4. Marijnissen, “Willy Sluiter, de populaire gentleman-kunstenaar”, pp. 19-21. Voor meer over Sluiter’s activiteiten in Katwijk zie: Sleijster, Willy Sluiter en de kunstvereniging Katwijk; Arend-Jan Sleyster en Annemarie Kingmans-Claas, Kunst, visserij en handel : Toorop, Sluiter, Munthe en de schilderijententoonstelling 1902 (Katwijk: Katwijks Museum, 2002). Tentoonstellingscatalogus.

5. Sluiter hield vanaf het begin van zijn loopbaan de verkoop van zijn werk bij in een kasboek, dat zich nu in een particuliere collectie bevindt. Simone de Ruyter, “’Wie doet je wat?’ Willy sluiter tussen critici, publiek en kopers,” 60-61 in Peters en Marijnissen red, Willy Sluiter: Gentleman-kunstenaar.

6. Zo zond hij werk in naar de Wereldtentoonstelling in Parijs van 1900, die in St. Louis van 1904, en die in San Francisco van 1915. Hier won hij respectievelijk een bronzen en twee zilveren medailles. Voor meer informatie over Sluiter’s successen in het buitenland zie: De Ruyter, “’Wie doet je wat?”, pp. 65-67

7. Zo was hij vanaf 1923 voorzitter van Pulchri Studio en secretaris van het “Regeeringscomité voor Kunsttentoonstellingen in het buitenland” Marijnissen, “Willy Sluiter, de populaire gentleman-kunstenaar”, pp. 29, 31; De Ruyter, “’Wie doet je wat?’”, p. 68.

Waay, Nicolaas van der

(Amsterdam 15 oktober 1855 – 18 december 1936)

Niet veel mensen weten dat zij elk jaar op Prinsjesdag een van de meesterwerken van Nicolaas van der Waay aanschouwen. In 1897 kreeg de kunstenaar de opdracht tot het vervaardigen van de schilderingen op de Gouden Koets. Verder is Van der Waay vooral bekend van zijn schilderijen van Amsterdamse weesmeisjes, waarvan de meeste nu te bewonderen zijn in het Amsterdam Museum [afb. a].

a. Nicolaas van der Waay, Amsterdamse weesmeisjes in een gang voor een stadsprofiel van Amsterdam, olieverf op doek, 137 x 210 cm, Amsterdam, Amsterdam Museum, inv. nr. SA 36353.
Foto: Amsterdam Museum
b. Nicolaas van der Waay, Sibylla Lybica, 1884, olieverf op doek, 225 x 167,5 cm, Rijswijk, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inv.nr. R801
Foto Margareta Svensson, RCE

Nicolaas van der Waay werd op 15 oktober 1855 geboren in Amsterdam. Hij kreeg zijn eerste tekenles van de portretschilder Louis J.A. Koopman (1827-1877), met wiens dochter hij in 1890 zou trouwen. Om zich verder te bekwamen, schreef hij zich op 26 september 1871 op zestienjarige leeftijd in op de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.1 In 1884 kreeg Nicolaas van der Waay de kans om een paar maanden in Italië de kunst van de klassieke oudheid te bestuderen. Tijdens deze reis hield hij dagboeken bij, waardoor wij zijn verblijf van dag tot dag kunnen volgen. Na terugkomst in Amsterdam exposeerde Van der Waay van 8 tot 11 december alle kopieën, getekende studies en aquarellen die hij in Italië had gemaakt in de Gehoorzaal van de Rijksakademie [afb. b].2

In 1891 werd Van der Waay benoemd tot hoogleraar aan de Rijksakademie [afb. c].3 Dit was het begin van een periode waarin hij veel belangrijke officiële opdrachten kreeg, waaronder zoals genoemd het beschilderen van de zijpanelen van de Gouden Koets. Naast deze opdrachten hield Van der Waay ook nog tijd over om zich bezig te houden met vrije schilderkunst en was hij illustrator van het Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Het oeuvre van Van der Waay toont aan dat hij een veelzijdige kunstenaar was: zijn werk wordt zowel gekenmerkt door zijn voorkeur voor de strenge academische traditie als door een vlotte impressionistische stijl [afb. d]. Als hoogleraar zou hij verschillende belangrijke kunstenaars begeleiden in hun studie, waaronder Lizzy Ansingh (1875-1959), Jan Sluijters (1881-1957) en Leo Gestel (1881-1941). Op 1 januari 1925 nam Van der Waay – zoals de directeur prof. dr. A.J. Derkinderen verwoordde – als een van de sterkste stutten van het academisch onderwijs afscheid van de Rijksakademie.4

Auteur: Marijke Heslenfeld 

Noten

1. Stamregister van studenten, Noord-Hollands archief (NHA), Archief Rijksakademie voor Beeldende Kunsten (RAvBK), inv.nr. 175.

2. Notulen Commissie van Toezicht, 22 september 1884 (5e), NHA, archief RAvBK, inv.nr. 278. Uitnodiging voor de tentoonstelling, NHA, archief RAvBK, inv.nr. 276 en 741.

3. Brief van ministerie van Binnenlandse Zaken aan Commissie van Toezicht, 6 juni 1891, NHA, archief RAvBK, inv.nr. 176.

4. Anoniem, ‘Letteren en Kunst. Prof. N. van der Waay’, NRC, 19 december 1936, Persdocumentatie RKD.

Literatuur

  • A.G.C. van Duyll, ‘N. van der Waay’, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 2 (1892) nr. 4 (juli-december), 81-98.
  • Wiepke Loos, ‘Nicolaas van der Waay (1855-1936) en het Amsterdamse genootschap M.A.B.’, De Negentiende Eeuw 13 (1989) nr. 2 (juni), 124-149.

 

Bodenheim, Johanna Cornelia Hermanna (Nelly)

(Amsterdam 1874 – 1951 Amsterdam)

a. Lizzy Ansingh, Nelly Bodenheim, krijttekening, 1904, particuliere collectie

Nelly Bodenheim was het tweede kind van Godfried August Bodenheim (1840-1894) en Johanna Wispelwey (1847-1914). Het gezin bestond uit drie meisjes en drie jongens. Haar vader had een atelier voor gala- en uniformkleding in de Kalverstraat in Amsterdam en verzamelde kunst. Nelly bleek al jong een talent voor tekenen te hebben en volgde op dertienjarige leeftijd een tekencursus in het Gebouw van den Werkende Stand aan de Kloveniersburgwal 87. In februari 1893 deed Nelly toelatingsexamen voor de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, waar zij tot 1895 lessen volgde. Nelly wilde zich toeleggen op tekenen en lithograferen en ging in de leer bij Jan Veth (1864-1925) in Bussum, die haar enorm stimuleerde.

In 1895 debuteerde Nelly Bodenheim in “de Kroniek” met een gekleurde steendruk, een illustratie bij het toen bekende liedje: “Toen ik op Neerlands bergen stond”.

b. Nelly Bodenheim, Toen ik op Neerlands bergen stond, litho, 1895, Kunstmuseum Den Haag

 Nelly Bodenheim is vooral bekend geworden door haar boekillustraties met de zwarte silhouetfiguurtjes. Het eerste kinderboek dat zij illustreerde, was “Rietje’s pop”, geschreven door Tine van Berken. Hierna zouden nog 22 andere boeken met Oudhollandse liedjes, sprookjes en bakerrijmpjes bij verschillende uitgeverijen verschijnen die door haar geïllustreerd werden.

c. Nelly Bodenheim, In Holland staat een Huis, Oost-Indische inkt, 1924, titelplaat

Zij maakte ook botanische tekeningen voor professor Hugo de Vries ter verduidelijking van zijn mutatie-theorieën en zij tekende voorwerpen na uit de kunstverzameling van haar broer Frederik.

Nelly Bodenheim maakte kunstnaaldwerk waarmee ze vanaf 1913 exposeerde. Op grootmazig stramien borduurde zij met wollen en katoenen draden voorstellingen en portretten van bekende mensen uit de sport- en theaterwereld, o.a. de danseres Josephine Baker en acteur Charlie Chaplin.

Verder maakte zij lampenkappen en kussens, en ontwierp zij kostuums voor “Een Winteravondsprookje”, een toneelstuk dat in 1922 in de Amsterdamse stadsschouwburg werd opgevoerd onder regie van Willem Royaards.

In 1924 werd er bij de Société Céramique in Maastricht een kinderservies gemaakt met afbeeldingen van de kippenfamilie Kakelbont, waarvoor Nelly de tekeningen en Lizzy Ansingh de tekst leverde.

Het sociale leven van Nelly speelde zich vooral in Amsterdam af. Zij was lid van “Arte et Amicitia” en kende veel kunstenaars. Na het overlijden van haar moeder bleef Nelly haar verdere leven met haar twee zussen samenwonen, vanaf 1922 in de Valeriusstraat te Amsterdam. Zij had een atelier aan de Herengracht 520 : twee ruime lichte kamers op de bovenste verdieping van een kantoorpand. In de achterkamer tekende Nelly en de kamer aan de grachtkant was ingericht voor haar naaldkunst.

Nelly liet haar werk door anderen lithograferen en dat aspect leverde wel kritiek op. Maar haar werk werd later wel gewaardeerd omdat haar illustraties origineel en humoristisch waren. Nelly had nauw contact met medeleerlingen van de academie, welke vriendinnengroep door de kunstcriticus Albert Plasschaert (1874-1941) de Amsterdamse Joffers genoemd werd.

d. Nelly Bodenheim, Lizzy Ansingh, zwart/rood krijt, 1894, Rijksdienst voor Beeldende Kunst in Den Haag

Lizzy Ansingh was Nelly’s hartsvriendin, met wie zij veel heeft samengewerkt.

Vanaf 1902 is Nelly’s werk op tentoonstellingen te zien geweest in binnen- en buitenland o.a. in Turijn in 1902 en op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1925.

In Nederland exposeerde zij in 1918 solo bij kunstzaal Kleykamp te Den Haag, in 1949 in het Stedelijk museum te Amsterdam en met een overzichtstentoonstelling na haar dood in 1991 in het Amsterdams Historisch Museum.

Haar werk was onlangs nogmaals te zien in dit museum op de tentoonstelling “1001 vrouwen in de 20ste eeuw” (oktober 2018 – maart 2019).

Het Kunstmuseum te Den Haag en Museum Boymans-van Beuningen te Rotterdam hebben werk van haar in bezit.

Nelly Bodenheim stierf op 7 januari 1951 te Amsterdam en ligt begraven op Zorgvlied te Amstelveen.

Auteur: Detty Steinebach

Literatuur

  • Aty Brunt, ‘Nelly Bodenheim’, Elseviers Geïllustreerd Maandschrift (1910) nr. 20, 217-230.
  • Cornelis Veth, ‘Nelly Bodenheim’, Maandblad voor Beeldende Kunsten (1936) nr. 13, 135-138 en 177-186.
  • Cornelis Veth, Nelly Bodenheim, Rotterdam 1946.
  • Tonia Schenk-Baumann, Nelly Bodenheim, haar leven en werk, Amsterdam 1988.
  • Marjan Groot, Vrouwen in de vormgeving in Nederland 1880-1940, Rotterdam 2007.
  • Jacqueline Royaards-Sandberg, Herinneringen, Baarn 1979.
  • Persmap Nelly Bodenheim, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis.

Cuypers, Eduard

(Roermond 1859 - 1927 Den Haag)

a. Vervaardiger onbekend, heliogravure met portret van Eduard Cuypers, (datering onbekend, tussen 1985 – 1920), collectie Rijksmuseum.

Eduard Cuypers (afb. a) groeide op tussen artistieke familieleden die hem al vroeg vertrouwd maakten met de innoverende gedachte dat decoratieve kunst een opzichzelfstaande en gerespecteerde kunstdiscipline mocht zijn.1 Zijn vader Henri Cuypers (broer en werknemer van Pierre Cuypers (1827-1921), de ontwerper van het Rijksmuseum te Amsterdam), was een kunst-, kerk- en decoratieschilder. Naast het theoretische ornamentonderwijs aan de Quellinusschool, werd Eduard onderwezen in ambachtelijke technieken, toegepast bij de bouw van het Rijksmuseum (1877 – 1885).2 Vanuit deze achtergrond ontwikkelde Eduard zich als veelzijdig bouw- en sierkunstenaar met een brede interesse.3

b. Vervaardiger onbekend, prentbriefkaart van stationsgebouw te ’s-Hertogenbosch, gebouwd 1896 naar Neorenaissance ontwerp van Eduard Cuypers, gesloopt in 1944, wegens zware beschadiging bij de bevrijding, Rijksarchief in Noord-Brabant.

In 1881 startte Eduard een eigen architectenbureau in Amsterdam waarmee hij ruim tweehonderd projecten in Nederland zou realiseren.4 Cuypers was geliefd in artistieke kringen en het bedrijfsleven: het merendeel van de opdrachten van het architectenbureau betrof daarom stadsvilla’s, winkelpanden en kantoren in opdracht van de welgestelde middenklasse.5 Ook nemen tientallen stationsgebouwen en ziekenhuizen een belangrijke plaats in zijn oeuvre in. Zijn vroege ontwerpen vertonen kenmerken van neorenaissance, zichtbaar in het voormalige stationsgebouw van Den Bosch (1896, afb. b). Later raakt hij geïnspireerd door de Engelse Arts & Crafts beweging: het Handelsgebouw te Amsterdam is daarvan een kenmerkend voorbeeld (1903, afb. c). Het bureau van Cuypers wordt tevens geassocieerd met de Amsterdamse School, omdat de pioniers van deze stijl, Michel de Klerk, Johan van der Mey en Piet Kramer, in de leer waren op bij het bruisende bureau.6

c. Fotograaf onbekend, foto van Handelsbladgebouw, voormalige drukkerij en redactie van Algemeen Handelsblad (2012). Nieuwezijds Voorburgwal 234-240, Amsterdam (1903), Stadsarchief Amsterdam.

Cuypers verlegde de grenzen van zijn stijl mede door zijn reislust en nieuwsgierigheid.7 Deze zou nog een geheel nieuwe richting verkrijgen door een studiereis naar Nederlands-Indië in 1909 (afb. d).8 Niet alleen richtte hij hier een tweede architectenbureau op, tevens werd hij geprikkeld door de Balinese ‘ongerepte kunst en cultuur’, de exotische vormen, materialen en methoden in sierkunst.9 Zijn fascinatie hiervoor manifesteerde zich in de opvolgende jaren in het ‘propaganderen van koloniale schoonheid van de Indische artistieke praktijk’.10 Naast het benutten van deze vormen in zijn eigen ontwerpen, redigeerde Cuypers een tijdschrift over Nederlands-Indië, importeerde hij Indische sierproducten en ontwierp hij het Indisch Paviljoen van Nederlands-Indië op de Brusselse Wereldtentoonstelling in 1909.11

d. Vervaardiger onbekend, foto van ‘feestelijke ontvangst van mr. G Vissering, den heer Eduard Cuypers en den regent van Serang’, augustus 1909, Bali. In: Het Ned. Indisch Huis, Oud en Nieuw , 1914 afl. I, p. 229, p. 230

Kenmerkend voor Cuypers’ werk was de decoratieve versmelting van het in- en exterieur als een onlosmakelijk geheel.12 Dit kwam mede door het feit dat Cuypers bewoog in een circuit van vrijzinnige architecten met een verlangen naar herdefiniëring van artistieke disciplines.13 Daarnaast wilde men zich afzetten tegen de industriële en technische ontwikkelingen van begin 1900 en stond ambachtelijkheid en authenticiteit hoog in het vaandel.14 Om de deze ideeën een plek te geven, richtte Cuypers in 1899 het atelier Het Huis op.15 Jarenlang werkten hier meer dan vijftig ambachtslieden, waaronder meubelmakers, rietvlechters, houtsnijders, textielwevers, glasblazers, smeedkunstenaars, koperslagers en tekenaars, aan het creëren van expressieve interieurs.

e. Vervaardiger onbekend, foto van Eduard Cuypers in zijn atelier, bespreking van de wensen van zijn opdrachtgever (datering onbekend, tussen 1901 en 1910). archief Ed. Cuypers.

Cuypers had een duidelijke visie, die hij kenbaar maakte als redacteur van in totaal drie verschillende tijdschriften, allen gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst.16 Ontwerpen van binnenuit, dicht tegen de menselijke voorkeur, was belangrijk voor Cuypers. Enkel door zich te verdiepen in zijn opdrachtgevers, kon authenticiteit en karakter worden bereikt (afb. e). Illustrerend hiervoor is Cuypers’ overtuiging dat een boekenkast al een kwalitatieve vorm in decoratie is.17 Een dichte boekenkast is architectuur zonder karakter: een open boekenkast daarentegen openbaart het geestelijk verkeer, interesses en persoonlijke ontwikkelingen van de eigenaar. Elementen in hun allerpersoonlijkste oorsprong werden door hem gezien als de essentie van sfeer, ambiance en menselijke intimiteit.18

Cuypers overleed in 1927, in het door hem ontworpen Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag (1925, gesloopt in 1942). Na zijn overlijden werden de bureaus in zowel Amsterdam als in Weltevreden door anderen voortgezet. Ook bleven zijn tijdschriften nog een aantal jaren bestaan. Alhoewel hij een artistiek productief leven leidde, heeft Cuypers vanuit historiografisch perspectief weinig erkenning gekregen.19 Hij werd beperkt opgenomen in de architectuurgeschiedschrijving: zijn beroepsmatige veelzijdigheid en brede oeuvre leken moeilijk te plaatsen in een afgebakende stroming, stijl of groep.20 De afgelopen jaren is hier verandering in gekomen, mede door de tentoonstelling over de Amsterdamse School in het Stedelijk Museum en de aandacht voor Nederlands-Indische bouwkunst.21

Auteur: Jocelyn Kotvis

Noten

1. A. van der Woud, Waarheid en karakter : het debat over de bouwkunst, 1840-1900 1997, p. 287.

2. T. M. Eliëns, M. Groot en F. Leidelmeijer, Kunstnijverheid in Nederland. 1840 – 1940, Amsterdam 1997, p. 22.

3. C. Nispen, Eduard Cuypers en zijn rol als ziekenhuisarchitect, Masterscriptie, Amsterdam 2015, p. 7.

4. O. Norbruis, Alweer een sieraad voor de stad. Het werk van Ed. Cuypers en Hulswit-Fermont in Nederlands-Indië 1897-1927, Rotterdam 2018.

5. Bert Gerlagh, ‘Eduard Cuypers en Amsterdam’, in: Jaarboek Amstelodamum, 2007 en B. Gerlagh, Ed. Cuypers Architect, doctoraalscriptie, Amsterdam 1979.

6. Obbe Norbruis, ‘Sectiedag Architectuur en Stedenbouw – koloniale architectuur’ 10 maart 2017 te landgoed Bronbeek, Arnhem.

7. G. Vissering, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Bloemendaal 1927, pp. 7 – 8.

8. ‘Eduard Cuypers’ in: Sumatra Post 111 (14 mei 1909).

9. A. A. Vermont, ‘Eduard Cuypers en Nederlands-Indië’ in: Het Nederlandsche en Ned. Indische Huis oud & nieuw: twee maandelijksch prentenboek gewijd aan huis inrichting bouw en sierkunst (1927) nr. 17, p. 49.

10. “…. Cuypers was propagandist in hart en nieren; alles wat volgens zijn idee mooi en goed was, wilde hij in breeden kring kenbaar maken, wilde hij als ’t ware anderen ingieten. Na de reis naar ons Indië in 1909 heeft het Oostersche land een diepen indruk op hem gemaakt. Die drang tot propageeren van schoonheid uitte zich in de publicatie van een tijdschrift.” G. Vissering, ‘Levensbericht Eduard Cuypers (1859 – 1927)’ in: G. Vissering, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Bloemendaal 1927, pp. 7 – 8.

11. M. Bloembergen, De koloniale vertoning. Nederland en Indië op de wereldtentoonstellingen (1880 – 1931), Amsterdam 2001.

12. B. Laan en M. Nossent, ‘Ornamenten op bestelling’ in: Ons Amsterdam, juli-augustus 2008.

13. F. van Burkom, K. Gaillard, K., E. Koldeweij, (red.), Leven in toen. Vier eeuwen interieur in beeld, Amsterdam 2001, pp. 38 – 39. G. Palmaerts, Eclecticisme. Over moderne architectuur in de negentiende eeuw, Rotterdam 2005, pp. 13-14.

14. M. W. F. Simon Thomas, De leer van het Ornament: versieren volgens voorschrift – 1850-1930, Amsterdam 1996, p. 26. Vissering 1927 (zie noot 10) p. 5.

15. Nispen 2015 (zie noot 2).

16. Het Huis, maandelijksch prentenboek gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst meubelen (1903 – 1905), Het Huis, Oud en Nieuw’, Maandelijksch Prentenboek, gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst, meubelen (1905 – 1930) Het Ned. Indische Huis, Oud & Nieuw, Prentenboek gewijd aan Huisinrichting, Bouw en Sierkunst. (1913 – 1915) en Nederlandsch-Indië oud & nieuw; maandblad gewijd aan: Bouwkunst – Archeologie – land en Volkenkunde – Kunstnijverheid – Cultures – Mijnbouw – Hygiëne (1916 – 1934).

17. E. Cuypers, Het Huis, Maandelijksch prentenboek gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst, p. 144.

18. Cuypers 1904 (zie noot 17) p. 138.

19. Uitspraak gebaseerd naar aanleiding van hoe Eduard Cuypers wordt getypeerd na 1950 door onder andere: N. Pevsner, Geschiedenis van de bouwkunst in Europa, Rotterdam 1949 (Nederlandse vertaling van origineel in Duits). H. Hitchcock: in Architecture. Nineteenth and twentieth centuries, New York 1958, p. 355. K. Wiekart, J. J. P. Oud. Beeldende kunst en bouwkunst in Nederland, Amsterdam 1965, pp. 5 – 12. G. Fanelli, Architectura Ollanda 1900 – 1940, Florence 1968. H. Searing, ‘Berlage or Cuypers? The Father of Them All’ in: H. Searing e.a., In search of modern Architecture: A tribute to Henry-Russel Hitchcock. New York 1982, pp. 226 – 244.

20. A. van der Woud over Cuypers: “…. onder leiding van ontvankelijke en invloedrijke architecten als Ed Cuypers, die zich afzijdig hielden van getheoretiseer en coterieën, nergens ‘bij horen’ en daardoor moeilijk in gepersonaliseerde geschiedbeelden passen.” In: Waarheid en Karakter 1997, pp. 343 – 344.

21. O. Norbruis, Alweer een sieraad voor de stad. Het werk van Ed. Cuypers en Hulswit-Fermont in Nederlands-Indië 1897-1927, Rotterdam 2018. Amsterdam, Stedelijk Museum, Wonen in de Amsterdamse School. Ontwerpen voor het interieur, 9 april tot en met 28 augustus 2016.

Mendlik, Oscar

(Radváncz, Hongarije 1871 – 1963 Aerdenhout)

“Hij heeft de zee geschilderd als een symbool van het leven, die in haar eindeloos komend – gaan geen rust kent […]”1 aldus kunstenaar en graficus Aart van Dobbenburg in zijn ‘In memoriam’ over Oscar Mendlik, die in Nederland naam maakte als zeeschilder maar in 1871 te Radváncz in Hongarije was geboren. Mendlik groeide op in Boedapest, ging naar het gymnasium, volgde tekenlessen bij de schilder József von Molnár (1821-1899) en kreeg na zijn eindexamen les van de populaire schilder Bertalan Székely (1835-1910). De laatste bracht hem niet alleen vakmanschap, maar ook een levenslange liefde voor Arthur Schopenhauer (1788-1860) bij, wiens filosofie Mendlik graag met de zee in verband bracht.

a. Oscar Mendlik, Ruïne op een rotsachtige kust, Rome 1900, olieverf op doek, Privéverzameling (foto: Venduehuis, Den Haag)

Op jonge leeftijd vond hij inspiratie in Arnold Böcklin’s mythologische voorstellingen en diens bijzondere weergave van het water. Zelf zag hij de zee voor het eerst in 1891 bij Fiume, het latere Kroatische Rijeka. Vanaf dat moment schilderde hij in vakanties kustlandschappen. Na de tekenacademie werkte hij als tekenleraar aan een technische hogeschool om zijn vervolgopleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten te bekostigen. Tussen 1894 en 1898 studeerde hij aan de ‘Meesterschool voor Frescoschilders’ van Károly Lotz (1833 – 1904). In zijn vrije tijd vervaardigde hij portretten, landschappen en wandschilderingen.

b. Oscar Mendlik, Oceaangolf, 1914, tekening, 23.6 x 33 cm, Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam (foto: Maritiem Digitaal)

In 1898 vertrok Mendlik met een stipendium naar Rome. Na een moeizaam begin vond hij zijn draai en begon met het schilderen van pure zeestukken. In de Italiaanse stad ontmoette hij de Nederlandse schilderes-beeldhouwster Julia Mijnssen (1873-1936). Op 4 oktober 1900 trouwde het stel in Amsterdam om zich in 1901 voorgoed in Nederland te vestigen. Drie jaar later lieten ze in Aerdenhout een villa met twee ateliers bouwen, naar een ontwerp van architect Johannes Hendrik Willem Leliman (1878-1921). In de villa Erdölak, Hongaars voor ‘boshuis’, ontving het tweetal met regelmaat schilders, beeldhouwers en musici die tot hun vriendenkring behoorden.

c. Oscar Mendlik, Portret van Dirk Hudig en Anna Rotgans, 1941, Privécollectie (foto’s: RKD, Den Haag)

Mendlik was een portrettist. Al in Boedapest vervaardigde hij een staatsieportret van Frans Jozef I, koning van Hongarije, die later meerdere doeken van hem kocht. Zijn oeuvre kent zo’n 270 portretten van de gegoede burgerij uit Haarlem en omgeving. Nóg vaker portretteerde hij echter de zee, die in zo’n 650 schilderijen en aquarellen een rol speelt. De hoofdrol zelfs. Mendlik vervaardigde pure zeestukken die vaak slechts één enkele golf tonen. Hij schilderde de zee zonder schepen, zonder mensen, zonder attributen. Dit in tegenstelling tot zijn voorgangers wier interesse vooral uitging naar de relatie tussen mens en zee. Voor Mendlik was het water echter geen decor maar de essentie. Hij bestudeerde de zee dan ook niet vanaf het strand, zoals de rest dat deed, maar vanaf de zee zelf.

Door zijn goede contacten met directeuren van scheepvaartmaatschappijen kon Mendlik met regelmaat mee op reis. In 1904 bevoer hij voor het eerst de Atlantische Oceaan, later volgden reizen naar de Middellandse Zee, Nederlands-Indië, Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Tussen 1918 en 1940 reisde hij vooral met de Koninklijke Nederlandse Stoomvaartmaatschappij (KNSM). Op zee maakte hij zo’n 4 à 5 schetsen per dag die hij thuis tot olieverfschilderijen uitwerkte. Als hij niet op reis kon, zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog het geval was, werkte hij naar herinneringen en eerder gemaakt schetsen.

d. Oscar Mendlik, Zeegezicht, 1915, olieverf op doek, Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam, Stichting Kunstbezit Koninklijke Nedlloyd Groep NV (foto: Maritiem Digitaal)

Aan land was zijn werk regelmatig op tentoonstellingen te zien. Na deelname aan tentoonstellingen in Boedapest, Berlijn, Londen, Parijs en Venetië had hij in 1912 zijn eerste overzichtstentoonstelling bij de Amsterdamse kunsthandel Van Wisselingh, die zo’n 60 schilderijen van de schilder zou verkopen. Ter ere van zijn 70e verjaardag werden ere-tentoonstellingen georganiseerd in Den Haag, Haarlem en Amsterdam. Bij de Haarlemse tentoonstelling werd opvallend genoeg maar één zeestuk getoond en werd Mendlik gepresenteerd als een schilder van portretten, landschappen en stillevens. In 1957 voer hij voor het laatst met de KNSM naar de Middellandse Zee. Vier jaar later organiseerde het Scheepvaarthuis Amsterdam een tentoonstelling ter ere van zijn negentigste verjaardag. In 1963 overleed de Hongaarse schilder, die in 1948 tot Nederlander was genaturaliseerd, in Aerdenhout.

e. Foto van Oscar Mendlik op receptie op 22 juni 1961 Nationaal Archief, CCO (foto: Joop van Bilsen)

Naast schilder was Mendlik actief als lid van Pulchri Studio in Den Haag, de Rotary van Haarlem en het Genootschap van beeldende kunstenaars ‘Kunst zij ons doel’ in dezelfde stad. Daarnaast zat hij in de Commissie van Toezicht van het Frans Hals Museum. Gedurende zijn leven ontving hij kritiek op zijn werk dat ‘slechts’ de zee afbeeldde en niet verhalend was. Zijn schilderijen zouden leeg zijn, zo zonder verhaal, zonder inhoud. Voor Mendlik was het zeestuk echter dé manier om zijn persoonlijke, religieuze relatie met de zee weer te geven. In lezingen bezong hij op lyrische wijze haar verschillende kleuren en stemmingen en de eindeloze variatie in bewegingen. Kenners waardeerden en waarderen zijn werk juist vanwege de natuurgetrouwheid waarmee hij de zee weergaf. Ze herkennen de golfbewegingen en de kleuren die zo specifiek zijn voor een bepaald gebied of een bepaald element van de zee. Ze begrijpen op welke oceaan en hoe laat ongeveer op de dag hij zich daar bevond. Geen wonder dat enkele werken van Mendlik zich in het Maritiem Museum Rotterdam en het Scheepvaartmuseum in Amsterdam bevinden. De meerderheid van zijn werk bevindt zich echter in privébezit, dáár waar dit schildertalent zijn grootste waardering ontvangt.

Auteur: Charlotte Franzen MA

Noten

1. Graaff, Grad de, Oscar Mendlik 1871-1963: Hongaarse zee- en portretschilder te Aerdenhout, 2005, p. 170-171.

Literatuur

  • Erftemeijer, Antoon, Naar Zee. De zee in de Nederlandse kunst sinds 1850, Frans Hals Museum, De Hallen, Haarlem, 2012
  • Graaff, Grad de, Oscar Mendlik 1871-1963: Hongaarse zee- en portretschilder te Aerdenhout, FortMedia, Vlaardingen, 2005
  • Lewin, Lisette, ‘Levend water’ in: NRC, 12 november 1999
  • Meester-Obreen, A. de, ‘Oscar Mendlik, de zee-schilder’, in: Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 30, 1920