Waay, Nicolaas van der

(Amsterdam 15 oktober 1855 – 18 december 1936)

Niet veel mensen weten dat zij elk jaar op Prinsjesdag een van de meesterwerken van Nicolaas van der Waay aanschouwen. In 1897 kreeg de kunstenaar de opdracht tot het vervaardigen van de schilderingen op de Gouden Koets. Verder is Van der Waay vooral bekend van zijn schilderijen van Amsterdamse weesmeisjes, waarvan de meeste nu te bewonderen zijn in het Amsterdam Museum [afb. a].

a. Nicolaas van der Waay, Amsterdamse weesmeisjes in een gang voor een stadsprofiel van Amsterdam, olieverf op doek, 137 x 210 cm, Amsterdam, Amsterdam Museum, inv. nr. SA 36353.
Foto: Amsterdam Museum
b. Nicolaas van der Waay, Sibylla Lybica, 1884, olieverf op doek, 225 x 167,5 cm, Rijswijk, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inv.nr. R801
Foto Margareta Svensson, RCE

Nicolaas van der Waay werd op 15 oktober 1855 geboren in Amsterdam. Hij kreeg zijn eerste tekenles van de portretschilder Louis J.A. Koopman (1827-1877), met wiens dochter hij in 1890 zou trouwen. Om zich verder te bekwamen, schreef hij zich op 26 september 1871 op zestienjarige leeftijd in op de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.1 In 1884 kreeg Nicolaas van der Waay de kans om een paar maanden in Italië de kunst van de klassieke oudheid te bestuderen. Tijdens deze reis hield hij dagboeken bij, waardoor wij zijn verblijf van dag tot dag kunnen volgen. Na terugkomst in Amsterdam exposeerde Van der Waay van 8 tot 11 december alle kopieën, getekende studies en aquarellen die hij in Italië had gemaakt in de Gehoorzaal van de Rijksakademie [afb. b].2

In 1891 werd Van der Waay benoemd tot hoogleraar aan de Rijksakademie [afb. c].3 Dit was het begin van een periode waarin hij veel belangrijke officiële opdrachten kreeg, waaronder zoals genoemd het beschilderen van de zijpanelen van de Gouden Koets. Naast deze opdrachten hield Van der Waay ook nog tijd over om zich bezig te houden met vrije schilderkunst en was hij illustrator van het Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. Het oeuvre van Van der Waay toont aan dat hij een veelzijdige kunstenaar was: zijn werk wordt zowel gekenmerkt door zijn voorkeur voor de strenge academische traditie als door een vlotte impressionistische stijl [afb. d]. Als hoogleraar zou hij verschillende belangrijke kunstenaars begeleiden in hun studie, waaronder Lizzy Ansingh (1875-1959), Jan Sluijters (1881-1957) en Leo Gestel (1881-1941). Op 1 januari 1925 nam Van der Waay – zoals de directeur prof. dr. A.J. Derkinderen verwoordde – als een van de sterkste stutten van het academisch onderwijs afscheid van de Rijksakademie.4

Auteur: Marijke Heslenfeld 

Noten

1. Stamregister van studenten, Noord-Hollands archief (NHA), Archief Rijksakademie voor Beeldende Kunsten (RAvBK), inv.nr. 175.

2. Notulen Commissie van Toezicht, 22 september 1884 (5e), NHA, archief RAvBK, inv.nr. 278. Uitnodiging voor de tentoonstelling, NHA, archief RAvBK, inv.nr. 276 en 741.

3. Brief van ministerie van Binnenlandse Zaken aan Commissie van Toezicht, 6 juni 1891, NHA, archief RAvBK, inv.nr. 176.

4. Anoniem, ‘Letteren en Kunst. Prof. N. van der Waay’, NRC, 19 december 1936, Persdocumentatie RKD.

Literatuur

  • A.G.C. van Duyll, ‘N. van der Waay’, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 2 (1892) nr. 4 (juli-december), 81-98.
  • Wiepke Loos, ‘Nicolaas van der Waay (1855-1936) en het Amsterdamse genootschap M.A.B.’, De Negentiende Eeuw 13 (1989) nr. 2 (juni), 124-149.

 

Bodenheim, Johanna Cornelia Hermanna (Nelly)

(Amsterdam 1874 – 1951 Amsterdam)

a. Lizzy Ansingh, Nelly Bodenheim, krijttekening, 1904, particuliere collectie

Nelly Bodenheim was het tweede kind van Godfried August Bodenheim (1840-1894) en Johanna Wispelwey (1847-1914). Het gezin bestond uit drie meisjes en drie jongens. Haar vader had een atelier voor gala- en uniformkleding in de Kalverstraat in Amsterdam en verzamelde kunst. Nelly bleek al jong een talent voor tekenen te hebben en volgde op dertienjarige leeftijd een tekencursus in het Gebouw van den Werkende Stand aan de Kloveniersburgwal 87. In februari 1893 deed Nelly toelatingsexamen voor de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, waar zij tot 1895 lessen volgde. Nelly wilde zich toeleggen op tekenen en lithograferen en ging in de leer bij Jan Veth (1864-1925) in Bussum, die haar enorm stimuleerde.

In 1895 debuteerde Nelly Bodenheim in “de Kroniek” met een gekleurde steendruk, een illustratie bij het toen bekende liedje: “Toen ik op Neerlands bergen stond”.

b. Nelly Bodenheim, Toen ik op Neerlands bergen stond, litho, 1895, Kunstmuseum Den Haag

 Nelly Bodenheim is vooral bekend geworden door haar boekillustraties met de zwarte silhouetfiguurtjes. Het eerste kinderboek dat zij illustreerde, was “Rietje’s pop”, geschreven door Tine van Berken. Hierna zouden nog 22 andere boeken met Oudhollandse liedjes, sprookjes en bakerrijmpjes bij verschillende uitgeverijen verschijnen die door haar geïllustreerd werden.

c. Nelly Bodenheim, In Holland staat een Huis, Oost-Indische inkt, 1924, titelplaat

Zij maakte ook botanische tekeningen voor professor Hugo de Vries ter verduidelijking van zijn mutatie-theorieën en zij tekende voorwerpen na uit de kunstverzameling van haar broer Frederik.

Nelly Bodenheim maakte kunstnaaldwerk waarmee ze vanaf 1913 exposeerde. Op grootmazig stramien borduurde zij met wollen en katoenen draden voorstellingen en portretten van bekende mensen uit de sport- en theaterwereld, o.a. de danseres Josephine Baker en acteur Charlie Chaplin.

Verder maakte zij lampenkappen en kussens, en ontwierp zij kostuums voor “Een Winteravondsprookje”, een toneelstuk dat in 1922 in de Amsterdamse stadsschouwburg werd opgevoerd onder regie van Willem Royaards.

In 1924 werd er bij de Société Céramique in Maastricht een kinderservies gemaakt met afbeeldingen van de kippenfamilie Kakelbont, waarvoor Nelly de tekeningen en Lizzy Ansingh de tekst leverde.

Het sociale leven van Nelly speelde zich vooral in Amsterdam af. Zij was lid van “Arte et Amicitia” en kende veel kunstenaars. Na het overlijden van haar moeder bleef Nelly haar verdere leven met haar twee zussen samenwonen, vanaf 1922 in de Valeriusstraat te Amsterdam. Zij had een atelier aan de Herengracht 520 : twee ruime lichte kamers op de bovenste verdieping van een kantoorpand. In de achterkamer tekende Nelly en de kamer aan de grachtkant was ingericht voor haar naaldkunst.

Nelly liet haar werk door anderen lithograferen en dat aspect leverde wel kritiek op. Maar haar werk werd later wel gewaardeerd omdat haar illustraties origineel en humoristisch waren. Nelly had nauw contact met medeleerlingen van de academie, welke vriendinnengroep door de kunstcriticus Albert Plasschaert (1874-1941) de Amsterdamse Joffers genoemd werd.

d. Nelly Bodenheim, Lizzy Ansingh, zwart/rood krijt, 1894, Rijksdienst voor Beeldende Kunst in Den Haag

Lizzy Ansingh was Nelly’s hartsvriendin, met wie zij veel heeft samengewerkt.

Vanaf 1902 is Nelly’s werk op tentoonstellingen te zien geweest in binnen- en buitenland o.a. in Turijn in 1902 en op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1925.

In Nederland exposeerde zij in 1918 solo bij kunstzaal Kleykamp te Den Haag, in 1949 in het Stedelijk museum te Amsterdam en met een overzichtstentoonstelling na haar dood in 1991 in het Amsterdams Historisch Museum.

Haar werk was onlangs nogmaals te zien in dit museum op de tentoonstelling “1001 vrouwen in de 20ste eeuw” (oktober 2018 – maart 2019).

Het Kunstmuseum te Den Haag en Museum Boymans-van Beuningen te Rotterdam hebben werk van haar in bezit.

Nelly Bodenheim stierf op 7 januari 1951 te Amsterdam en ligt begraven op Zorgvlied te Amstelveen.

Auteur: Detty Steinebach

Literatuur

  • Aty Brunt, ‘Nelly Bodenheim’, Elseviers Geïllustreerd Maandschrift (1910) nr. 20, 217-230.
  • Cornelis Veth, ‘Nelly Bodenheim’, Maandblad voor Beeldende Kunsten (1936) nr. 13, 135-138 en 177-186.
  • Cornelis Veth, Nelly Bodenheim, Rotterdam 1946.
  • Tonia Schenk-Baumann, Nelly Bodenheim, haar leven en werk, Amsterdam 1988.
  • Marjan Groot, Vrouwen in de vormgeving in Nederland 1880-1940, Rotterdam 2007.
  • Jacqueline Royaards-Sandberg, Herinneringen, Baarn 1979.
  • Persmap Nelly Bodenheim, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis.

Cuypers, Eduard

(Roermond 1859 - 1927 Den Haag)

a. Vervaardiger onbekend, heliogravure met portret van Eduard Cuypers, (datering onbekend, tussen 1985 – 1920), collectie Rijksmuseum.

Eduard Cuypers (afb. a) groeide op tussen artistieke familieleden die hem al vroeg vertrouwd maakten met de innoverende gedachte dat decoratieve kunst een opzichzelfstaande en gerespecteerde kunstdiscipline mocht zijn.1 Zijn vader Henri Cuypers (broer en werknemer van Pierre Cuypers (1827-1921), de ontwerper van het Rijksmuseum te Amsterdam), was een kunst-, kerk- en decoratieschilder. Naast het theoretische ornamentonderwijs aan de Quellinusschool, werd Eduard onderwezen in ambachtelijke technieken, toegepast bij de bouw van het Rijksmuseum (1877 – 1885).2 Vanuit deze achtergrond ontwikkelde Eduard zich als veelzijdig bouw- en sierkunstenaar met een brede interesse.3

b. Vervaardiger onbekend, prentbriefkaart van stationsgebouw te ’s-Hertogenbosch, gebouwd 1896 naar Neorenaissance ontwerp van Eduard Cuypers, gesloopt in 1944, wegens zware beschadiging bij de bevrijding, Rijksarchief in Noord-Brabant.

In 1881 startte Eduard een eigen architectenbureau in Amsterdam waarmee hij ruim tweehonderd projecten in Nederland zou realiseren.4 Cuypers was geliefd in artistieke kringen en het bedrijfsleven: het merendeel van de opdrachten van het architectenbureau betrof daarom stadsvilla’s, winkelpanden en kantoren in opdracht van de welgestelde middenklasse.5 Ook nemen tientallen stationsgebouwen en ziekenhuizen een belangrijke plaats in zijn oeuvre in. Zijn vroege ontwerpen vertonen kenmerken van neorenaissance, zichtbaar in het voormalige stationsgebouw van Den Bosch (1896, afb. b). Later raakt hij geïnspireerd door de Engelse Arts & Crafts beweging: het Handelsgebouw te Amsterdam is daarvan een kenmerkend voorbeeld (1903, afb. c). Het bureau van Cuypers wordt tevens geassocieerd met de Amsterdamse School, omdat de pioniers van deze stijl, Michel de Klerk, Johan van der Mey en Piet Kramer, in de leer waren op bij het bruisende bureau.6

c. Fotograaf onbekend, foto van Handelsbladgebouw, voormalige drukkerij en redactie van Algemeen Handelsblad (2012). Nieuwezijds Voorburgwal 234-240, Amsterdam (1903), Stadsarchief Amsterdam.

Cuypers verlegde de grenzen van zijn stijl mede door zijn reislust en nieuwsgierigheid.7 Deze zou nog een geheel nieuwe richting verkrijgen door een studiereis naar Nederlands-Indië in 1909 (afb. d).8 Niet alleen richtte hij hier een tweede architectenbureau op, tevens werd hij geprikkeld door de Balinese ‘ongerepte kunst en cultuur’, de exotische vormen, materialen en methoden in sierkunst.9 Zijn fascinatie hiervoor manifesteerde zich in de opvolgende jaren in het ‘propaganderen van koloniale schoonheid van de Indische artistieke praktijk’.10 Naast het benutten van deze vormen in zijn eigen ontwerpen, redigeerde Cuypers een tijdschrift over Nederlands-Indië, importeerde hij Indische sierproducten en ontwierp hij het Indisch Paviljoen van Nederlands-Indië op de Brusselse Wereldtentoonstelling in 1909.11

d. Vervaardiger onbekend, foto van ‘feestelijke ontvangst van mr. G Vissering, den heer Eduard Cuypers en den regent van Serang’, augustus 1909, Bali. In: Het Ned. Indisch Huis, Oud en Nieuw , 1914 afl. I, p. 229, p. 230

Kenmerkend voor Cuypers’ werk was de decoratieve versmelting van het in- en exterieur als een onlosmakelijk geheel.12 Dit kwam mede door het feit dat Cuypers bewoog in een circuit van vrijzinnige architecten met een verlangen naar herdefiniëring van artistieke disciplines.13 Daarnaast wilde men zich afzetten tegen de industriële en technische ontwikkelingen van begin 1900 en stond ambachtelijkheid en authenticiteit hoog in het vaandel.14 Om de deze ideeën een plek te geven, richtte Cuypers in 1899 het atelier Het Huis op.15 Jarenlang werkten hier meer dan vijftig ambachtslieden, waaronder meubelmakers, rietvlechters, houtsnijders, textielwevers, glasblazers, smeedkunstenaars, koperslagers en tekenaars, aan het creëren van expressieve interieurs.

e. Vervaardiger onbekend, foto van Eduard Cuypers in zijn atelier, bespreking van de wensen van zijn opdrachtgever (datering onbekend, tussen 1901 en 1910). archief Ed. Cuypers.

Cuypers had een duidelijke visie, die hij kenbaar maakte als redacteur van in totaal drie verschillende tijdschriften, allen gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst.16 Ontwerpen van binnenuit, dicht tegen de menselijke voorkeur, was belangrijk voor Cuypers. Enkel door zich te verdiepen in zijn opdrachtgevers, kon authenticiteit en karakter worden bereikt (afb. e). Illustrerend hiervoor is Cuypers’ overtuiging dat een boekenkast al een kwalitatieve vorm in decoratie is.17 Een dichte boekenkast is architectuur zonder karakter: een open boekenkast daarentegen openbaart het geestelijk verkeer, interesses en persoonlijke ontwikkelingen van de eigenaar. Elementen in hun allerpersoonlijkste oorsprong werden door hem gezien als de essentie van sfeer, ambiance en menselijke intimiteit.18

Cuypers overleed in 1927, in het door hem ontworpen Rode Kruis Ziekenhuis in Den Haag (1925, gesloopt in 1942). Na zijn overlijden werden de bureaus in zowel Amsterdam als in Weltevreden door anderen voortgezet. Ook bleven zijn tijdschriften nog een aantal jaren bestaan. Alhoewel hij een artistiek productief leven leidde, heeft Cuypers vanuit historiografisch perspectief weinig erkenning gekregen.19 Hij werd beperkt opgenomen in de architectuurgeschiedschrijving: zijn beroepsmatige veelzijdigheid en brede oeuvre leken moeilijk te plaatsen in een afgebakende stroming, stijl of groep.20 De afgelopen jaren is hier verandering in gekomen, mede door de tentoonstelling over de Amsterdamse School in het Stedelijk Museum en de aandacht voor Nederlands-Indische bouwkunst.21

Auteur: Jocelyn Kotvis

Noten

1. A. van der Woud, Waarheid en karakter : het debat over de bouwkunst, 1840-1900 1997, p. 287.

2. T. M. Eliëns, M. Groot en F. Leidelmeijer, Kunstnijverheid in Nederland. 1840 – 1940, Amsterdam 1997, p. 22.

3. C. Nispen, Eduard Cuypers en zijn rol als ziekenhuisarchitect, Masterscriptie, Amsterdam 2015, p. 7.

4. O. Norbruis, Alweer een sieraad voor de stad. Het werk van Ed. Cuypers en Hulswit-Fermont in Nederlands-Indië 1897-1927, Rotterdam 2018.

5. Bert Gerlagh, ‘Eduard Cuypers en Amsterdam’, in: Jaarboek Amstelodamum, 2007 en B. Gerlagh, Ed. Cuypers Architect, doctoraalscriptie, Amsterdam 1979.

6. Obbe Norbruis, ‘Sectiedag Architectuur en Stedenbouw – koloniale architectuur’ 10 maart 2017 te landgoed Bronbeek, Arnhem.

7. G. Vissering, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Bloemendaal 1927, pp. 7 – 8.

8. ‘Eduard Cuypers’ in: Sumatra Post 111 (14 mei 1909).

9. A. A. Vermont, ‘Eduard Cuypers en Nederlands-Indië’ in: Het Nederlandsche en Ned. Indische Huis oud & nieuw: twee maandelijksch prentenboek gewijd aan huis inrichting bouw en sierkunst (1927) nr. 17, p. 49.

10. “…. Cuypers was propagandist in hart en nieren; alles wat volgens zijn idee mooi en goed was, wilde hij in breeden kring kenbaar maken, wilde hij als ’t ware anderen ingieten. Na de reis naar ons Indië in 1909 heeft het Oostersche land een diepen indruk op hem gemaakt. Die drang tot propageeren van schoonheid uitte zich in de publicatie van een tijdschrift.” G. Vissering, ‘Levensbericht Eduard Cuypers (1859 – 1927)’ in: G. Vissering, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Bloemendaal 1927, pp. 7 – 8.

11. M. Bloembergen, De koloniale vertoning. Nederland en Indië op de wereldtentoonstellingen (1880 – 1931), Amsterdam 2001.

12. B. Laan en M. Nossent, ‘Ornamenten op bestelling’ in: Ons Amsterdam, juli-augustus 2008.

13. F. van Burkom, K. Gaillard, K., E. Koldeweij, (red.), Leven in toen. Vier eeuwen interieur in beeld, Amsterdam 2001, pp. 38 – 39. G. Palmaerts, Eclecticisme. Over moderne architectuur in de negentiende eeuw, Rotterdam 2005, pp. 13-14.

14. M. W. F. Simon Thomas, De leer van het Ornament: versieren volgens voorschrift – 1850-1930, Amsterdam 1996, p. 26. Vissering 1927 (zie noot 10) p. 5.

15. Nispen 2015 (zie noot 2).

16. Het Huis, maandelijksch prentenboek gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst meubelen (1903 – 1905), Het Huis, Oud en Nieuw’, Maandelijksch Prentenboek, gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst, meubelen (1905 – 1930) Het Ned. Indische Huis, Oud & Nieuw, Prentenboek gewijd aan Huisinrichting, Bouw en Sierkunst. (1913 – 1915) en Nederlandsch-Indië oud & nieuw; maandblad gewijd aan: Bouwkunst – Archeologie – land en Volkenkunde – Kunstnijverheid – Cultures – Mijnbouw – Hygiëne (1916 – 1934).

17. E. Cuypers, Het Huis, Maandelijksch prentenboek gewijd aan huisinrichting, bouw- en sierkunst, p. 144.

18. Cuypers 1904 (zie noot 17) p. 138.

19. Uitspraak gebaseerd naar aanleiding van hoe Eduard Cuypers wordt getypeerd na 1950 door onder andere: N. Pevsner, Geschiedenis van de bouwkunst in Europa, Rotterdam 1949 (Nederlandse vertaling van origineel in Duits). H. Hitchcock: in Architecture. Nineteenth and twentieth centuries, New York 1958, p. 355. K. Wiekart, J. J. P. Oud. Beeldende kunst en bouwkunst in Nederland, Amsterdam 1965, pp. 5 – 12. G. Fanelli, Architectura Ollanda 1900 – 1940, Florence 1968. H. Searing, ‘Berlage or Cuypers? The Father of Them All’ in: H. Searing e.a., In search of modern Architecture: A tribute to Henry-Russel Hitchcock. New York 1982, pp. 226 – 244.

20. A. van der Woud over Cuypers: “…. onder leiding van ontvankelijke en invloedrijke architecten als Ed Cuypers, die zich afzijdig hielden van getheoretiseer en coterieën, nergens ‘bij horen’ en daardoor moeilijk in gepersonaliseerde geschiedbeelden passen.” In: Waarheid en Karakter 1997, pp. 343 – 344.

21. O. Norbruis, Alweer een sieraad voor de stad. Het werk van Ed. Cuypers en Hulswit-Fermont in Nederlands-Indië 1897-1927, Rotterdam 2018. Amsterdam, Stedelijk Museum, Wonen in de Amsterdamse School. Ontwerpen voor het interieur, 9 april tot en met 28 augustus 2016.

Mendlik, Oscar

(Radváncz, Hongarije 1871 – 1963 Aerdenhout)

“Hij heeft de zee geschilderd als een symbool van het leven, die in haar eindeloos komend – gaan geen rust kent […]”1 aldus kunstenaar en graficus Aart van Dobbenburg in zijn ‘In memoriam’ over Oscar Mendlik, die in Nederland naam maakte als zeeschilder maar in 1871 te Radváncz in Hongarije was geboren. Mendlik groeide op in Boedapest, ging naar het gymnasium, volgde tekenlessen bij de schilder József von Molnár (1821-1899) en kreeg na zijn eindexamen les van de populaire schilder Bertalan Székely (1835-1910). De laatste bracht hem niet alleen vakmanschap, maar ook een levenslange liefde voor Arthur Schopenhauer (1788-1860) bij, wiens filosofie Mendlik graag met de zee in verband bracht.

a. Oscar Mendlik, Ruïne op een rotsachtige kust, Rome 1900, olieverf op doek, Privéverzameling (foto: Venduehuis, Den Haag)

Op jonge leeftijd vond hij inspiratie in Arnold Böcklin’s mythologische voorstellingen en diens bijzondere weergave van het water. Zelf zag hij de zee voor het eerst in 1891 bij Fiume, het latere Kroatische Rijeka. Vanaf dat moment schilderde hij in vakanties kustlandschappen. Na de tekenacademie werkte hij als tekenleraar aan een technische hogeschool om zijn vervolgopleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten te bekostigen. Tussen 1894 en 1898 studeerde hij aan de ‘Meesterschool voor Frescoschilders’ van Károly Lotz (1833 – 1904). In zijn vrije tijd vervaardigde hij portretten, landschappen en wandschilderingen.

b. Oscar Mendlik, Oceaangolf, 1914, tekening, 23.6 x 33 cm, Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam (foto: Maritiem Digitaal)

In 1898 vertrok Mendlik met een stipendium naar Rome. Na een moeizaam begin vond hij zijn draai en begon met het schilderen van pure zeestukken. In de Italiaanse stad ontmoette hij de Nederlandse schilderes-beeldhouwster Julia Mijnssen (1873-1936). Op 4 oktober 1900 trouwde het stel in Amsterdam om zich in 1901 voorgoed in Nederland te vestigen. Drie jaar later lieten ze in Aerdenhout een villa met twee ateliers bouwen, naar een ontwerp van architect Johannes Hendrik Willem Leliman (1878-1921). In de villa Erdölak, Hongaars voor ‘boshuis’, ontving het tweetal met regelmaat schilders, beeldhouwers en musici die tot hun vriendenkring behoorden.

c. Oscar Mendlik, Portret van Dirk Hudig en Anna Rotgans, 1941, Privécollectie (foto’s: RKD, Den Haag)

Mendlik was een portrettist. Al in Boedapest vervaardigde hij een staatsieportret van Frans Jozef I, koning van Hongarije, die later meerdere doeken van hem kocht. Zijn oeuvre kent zo’n 270 portretten van de gegoede burgerij uit Haarlem en omgeving. Nóg vaker portretteerde hij echter de zee, die in zo’n 650 schilderijen en aquarellen een rol speelt. De hoofdrol zelfs. Mendlik vervaardigde pure zeestukken die vaak slechts één enkele golf tonen. Hij schilderde de zee zonder schepen, zonder mensen, zonder attributen. Dit in tegenstelling tot zijn voorgangers wier interesse vooral uitging naar de relatie tussen mens en zee. Voor Mendlik was het water echter geen decor maar de essentie. Hij bestudeerde de zee dan ook niet vanaf het strand, zoals de rest dat deed, maar vanaf de zee zelf.

Door zijn goede contacten met directeuren van scheepvaartmaatschappijen kon Mendlik met regelmaat mee op reis. In 1904 bevoer hij voor het eerst de Atlantische Oceaan, later volgden reizen naar de Middellandse Zee, Nederlands-Indië, Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Tussen 1918 en 1940 reisde hij vooral met de Koninklijke Nederlandse Stoomvaartmaatschappij (KNSM). Op zee maakte hij zo’n 4 à 5 schetsen per dag die hij thuis tot olieverfschilderijen uitwerkte. Als hij niet op reis kon, zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog het geval was, werkte hij naar herinneringen en eerder gemaakt schetsen.

d. Oscar Mendlik, Zeegezicht, 1915, olieverf op doek, Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam, Stichting Kunstbezit Koninklijke Nedlloyd Groep NV (foto: Maritiem Digitaal)

Aan land was zijn werk regelmatig op tentoonstellingen te zien. Na deelname aan tentoonstellingen in Boedapest, Berlijn, Londen, Parijs en Venetië had hij in 1912 zijn eerste overzichtstentoonstelling bij de Amsterdamse kunsthandel Van Wisselingh, die zo’n 60 schilderijen van de schilder zou verkopen. Ter ere van zijn 70e verjaardag werden ere-tentoonstellingen georganiseerd in Den Haag, Haarlem en Amsterdam. Bij de Haarlemse tentoonstelling werd opvallend genoeg maar één zeestuk getoond en werd Mendlik gepresenteerd als een schilder van portretten, landschappen en stillevens. In 1957 voer hij voor het laatst met de KNSM naar de Middellandse Zee. Vier jaar later organiseerde het Scheepvaarthuis Amsterdam een tentoonstelling ter ere van zijn negentigste verjaardag. In 1963 overleed de Hongaarse schilder, die in 1948 tot Nederlander was genaturaliseerd, in Aerdenhout.

e. Foto van Oscar Mendlik op receptie op 22 juni 1961 Nationaal Archief, CCO (foto: Joop van Bilsen)

Naast schilder was Mendlik actief als lid van Pulchri Studio in Den Haag, de Rotary van Haarlem en het Genootschap van beeldende kunstenaars ‘Kunst zij ons doel’ in dezelfde stad. Daarnaast zat hij in de Commissie van Toezicht van het Frans Hals Museum. Gedurende zijn leven ontving hij kritiek op zijn werk dat ‘slechts’ de zee afbeeldde en niet verhalend was. Zijn schilderijen zouden leeg zijn, zo zonder verhaal, zonder inhoud. Voor Mendlik was het zeestuk echter dé manier om zijn persoonlijke, religieuze relatie met de zee weer te geven. In lezingen bezong hij op lyrische wijze haar verschillende kleuren en stemmingen en de eindeloze variatie in bewegingen. Kenners waardeerden en waarderen zijn werk juist vanwege de natuurgetrouwheid waarmee hij de zee weergaf. Ze herkennen de golfbewegingen en de kleuren die zo specifiek zijn voor een bepaald gebied of een bepaald element van de zee. Ze begrijpen op welke oceaan en hoe laat ongeveer op de dag hij zich daar bevond. Geen wonder dat enkele werken van Mendlik zich in het Maritiem Museum Rotterdam en het Scheepvaartmuseum in Amsterdam bevinden. De meerderheid van zijn werk bevindt zich echter in privébezit, dáár waar dit schildertalent zijn grootste waardering ontvangt.

Auteur: Charlotte Franzen MA

Noten

1. Graaff, Grad de, Oscar Mendlik 1871-1963: Hongaarse zee- en portretschilder te Aerdenhout, 2005, p. 170-171.

Literatuur

  • Erftemeijer, Antoon, Naar Zee. De zee in de Nederlandse kunst sinds 1850, Frans Hals Museum, De Hallen, Haarlem, 2012
  • Graaff, Grad de, Oscar Mendlik 1871-1963: Hongaarse zee- en portretschilder te Aerdenhout, FortMedia, Vlaardingen, 2005
  • Lewin, Lisette, ‘Levend water’ in: NRC, 12 november 1999
  • Meester-Obreen, A. de, ‘Oscar Mendlik, de zee-schilder’, in: Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 30, 1920

Vreedenburgh, Cornelis

(Woerden 1880 – 1946 Laren N.H.)

Cornelis (‘Cees’) Vreedenburgh kwam al op jonge leeftijd in aanraking met de schilderkunst. Zijn vader Gerrit had in Woerden een goed lopend schildersbedrijf. In de zomermaanden nam hij zijn gezin mee de natuur in om te tekenen en te schilderen.1 Cornelis ging bij zijn vader in dienst en leerde van hem het schildersvak.2 In zijn vrije tijd trok hij er met zijn klasgenoot Leo Gestel (1881-1941) op uit om de landschappen rond Woerden te schilderen. Anders dan Gestel richtte Vreedenburgh zich op de getrouwe weergave van de natuur.3

a. Van der Vooren fotografie, Woerden, Cornelis Vreedenburgh, foto uit Sigrid Thomassen, Cornelis Vreedenburgh. Schilder van stad, land en water, Venlo 2000, p. 4

In de zomer van 1902 werkte Vreedenburgh gedurende tien weken bij de landschapsschilder Gerard Roermeester (1844-1936) in Noorden.4 Vanuit een bootje schilderden ze de Nieuwkoopse Plassen. Roermeester maakte hem bekend met de losse schildertrant en de ingetogen kleuren van de Haagse School. Vreedenburgh gaf echter de voorkeur aan het zonnige landschap, dat hij in heldere kleuren vastlegde. Hij ontmoette de schilder Willem Bastiaan Tholen (1860-1931), die ook watergezichten vanuit zijn boot schilderde. Tholens eigen, atmosferische stijl maakte grote indruk op Vreedenburgh.5

b. Cornelis Vreedenburgh, Sluisje van Woerdense Verlaat, 1912, olieverf op doek, 58,5 x 90 cm, collectie Stadsmuseum Woerden

Het water werd de rode draad in Vreedenburghs kunstenaarsbestaan.  Hij werkte voornamelijk vanuit plaatsen die aan de Zuid-Hollandse plassen lagen, zoals Noorden en Nieuwkoop. Deze dorpen waren ook ontdekt door de schilders van de Haagse School, waardoor Vreedenburgh er veel collega’s ontmoette. Hij werkte regelmatig samen met de Rotterdamse Gerard Altmann (1877-1952) en de Leidse schilder Chris van der Windt (1877-1952). Van laatstgenoemde kunstenaar leerde Vreedenburgh een etsprocédé, dat hij in combinatie met een zelfgemaakte was toepaste om kleine etsen van waterlandschappen te maken.6

c. Cornelis Vreedenburgh, Boerin op de wasvlonder, olieverf op doek 37,5 x 60,8 cm, collectie Kunsthandel Simonis en Buunk, Ede.

Toen Vreedenburgh tussen 1909 en 1911 in Warmond aan de Kagerplassen schilderde, leerde hij zijn toekomstige vrouw kennen. Hij trouwde in 1912 in Leiden met kunstenares Marie Schotel (1883-1957). Ze woonden korte tijd in Nunspeet, maar vestigden zich al snel in de IJsselstreek. Met hun zoon Kees, die in 1916 werd geboren, woonden ze er enkele jaren op een woonboot in Hattem.7

Eind 1917 verhuisde het gezin naar schildersdorp Laren. De nabijheid van de voormalige Zuiderzee en de Loosdrechtse plassen speelde hierin een rol, maar ook de korte afstand tot Amsterdam. Vreedenburgh had de stad en de Amsterdamse havens ontdekt als motief voor zijn schilderijen. Zijn nieuwe woonplaats vormde echter ook een dankbaar onderwerp. In zijn bekende schilderij ‘Het Schilderskroegje van Hamdorff’ toonde hij Hotel Hamdorff, waar de Larense en Blaricumse kunstenaars bijeen kwamen. Vreedenburgh was een geziene gast in het hotel en leerde er veel kunstenaars kennen. In februari 1921 nam hij plaats in het eerste bestuur van de ‘Vereeniging van Beeldenden Kunstenaars Laren-Blaricum’.

Cornelis Vreedenburgh, Het kroegje van Jan Hamdorff, 1921, olieverf op doek, 46 x 66 cm, collectie Singer Museum Laren

Sinds jonge leeftijd trok Vreedenburgh er met zijn schetsboek op uit. Rond 1910 was hij al enkele keren naar Frankrijk gereisd. In de jaren twintig trok hij opnieuw naar Frankrijk, en later naar Italië en Zwitserland.8 In 1936 maakte hij zijn verste reis: in opdracht van het tijdschrift Panorama ging hij naar Palestina en legde hij in tekeningen en aquarellen zijn indrukken vast.9

Vreedenburghs werk werd al vroeg erkend. Vanaf 1904 ontving hij drie jaar op rij de koninklijke subsidie, waardoor hij zich volledig aan zijn vrije kunstenaarschap kon wijden. Zijn eerste inzending naar kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in 1905 werd bekroond met de Willink van Collen-prijs.10 Vreedenburghs vlotte manier van schilderen en de levendige wijze waarop hij het moment vastlegde was zowel onder critici als het grote publiek geliefd. Zijn schilderijen en tekeningen werden via verschillende kunsthandels verkocht.11 Hiermee kon Vreedenburgh zijn gezin, dat in 1921 werd uitgebreid met dochter Elisabeth, goed onderhouden. Hij exposeerde en verkocht bovendien ook op tentoonstellingen van de kunstenaarsverenigingen waar hij lid van was: Arti et Amicitiae en Sint Lucas in Amsterdam, Pulchri Studio in Den Haag en de Gooische Schildersvereniging.

Mogelijk door zijn vriendschap met Albert Roelofs (1877-1920), die lange tijd schilderlessen aan Koningin Wilhelmina gaf, was Vreedenburgh in contact gekomen met het Koninklijk Huis.12 Toen Wilhelmina in 1920 incognito een bezoek aan Laren en Blaricum bracht, leidde hij haar rond door de kunstenaarsdorpen. In 1934 was er opnieuw contact. Op verzoek van Koningin Wilhelmina maakte Vreedenburgh een typisch Hollands zomertafereel voor een kamerscherm, dat als huwelijksgeschenk aan prins George Edward werd aangeboden.13

Ondanks het succes van Vreedenburgh duurde het tot 1937 voordat hij zijn eerste solotentoonstelling had. Op de drukbezochte expositie in Hotel Hamdorff werden alle schilderijen verkocht.14 Hierna schilderde Vreedenburgh nauwelijks meer. Op zestigjarige leeftijd bleek hij de ziekte van Parkinson te hebben. Vreedenburgh, door journalist en kunstcriticus Henri van Calker (1881-1967) ‘een der meest veelzijdige landschapsschilders van dezen tijd’ genoemd, overleed op 27 juni 1946 in zijn woonplaats.15

Auteur: Karlijn de Jong

Bronnen

  • Sigrid Thomassen, Cornelis Vreedenburgh. Schilder van stad, land en water, Venlo 2000.
  • A. Ringelberg, ‘De Woerdense kunstschilder Cornelis Vreedenburgh. “Koningin Wilhelmina mocht hem wel”’, in: Heemtijdinghen: orgaan van de Stichts-Hollandse Historische Vereniging, jg. 28 (1992) nr. 3, pp 64-72.
  • Carole Denninger-Schreuder, Schilders van Laren, Bussum 2003.

Noten

1. C.A. Schilp, ‘Wij hebben allemaal met verf gespeeld’, in: Kunst & Antiekrevue 1984 (okt./nov.), 11-16. Gerrit Vreedenburgh (1849-1922) maakte wandschilderingen en versierde rijtuigen en kaasbrikken met voorstellingen. Hij maakte daarnaast schilderijen waarvan enkele verkocht werden via de Utrechtse kunsthandel Caramelli en Tessaro. Het gezin Vreedenburgh bestond uit vijf zoons en drie dochters. Zie ook: Archief Albert C.A. Plasschaert, Den Haag, RKD/ Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, NL-HaRKD.0372.275, Brief van Vreedenburgh aan Plasschaert, [1909?].

2 Archief Plasschaert, 0372.275, Brief van Vreedenburgh aan Plasschaert, [1909?]. Vreedenburgh werkte vanaf zijn twaalfde bij zijn vader in het bedrijf en bleef daar twaalf jaar lang werken als huisschilder. In de vrije momenten tekende en schilderde hij.

3. Vreedenburgh en Gestel bleven hun leven lang bevriend.

4. Archief Plasschaert, 0372.275, Brief van Vreedenburgh aan Plasschaert, 31 maart 1909. Voor Vreedenburgh bij Roermeester ging werken was hij enige tijd in dienst: ‘Ik ben soldaat geweest en daar heb ik veel geteekend, […], in dienst veel portret.’

5. Henri H. van Calker, ‘C. Vreedenburgh’, in: Schilders van heden en morgen. In het Atelier van den Schilder, bezoeken bij Nederlandsche beeldende kunstenaars van dezen tijd, dl. 1, Amsterdam [1941], 219: ‘Schrijf gerust dat ik aan den kunstenaar Tholen elken dag denk, want ik heb veel aan hem te danken.’ Schilp (1984), 12: Vreedenburgh voer meer dan eens op de boot van Tholen mee over de Kaag, de Loosdrechtse Plassen en langs de Zuiderzeeplaatsen.

6. Archief Plasschaert, 0372.275, briefkaart van Vreedenburgh aan Plasschaert, januari 1911 en brief van Vreedenburgh aan Plasschaert, 19 januari 1911.

7. De IJsselstreek was Vreedenburgh al bekend door zijn boottochten met Tholen. Getuige zijn brief aan Plasschaert, Archief Plasschaert, 0372.275, 31 maart 1909, had Vreedenburgh in Leiden ook al op een boot gewoond: ‘[…] het zou mij veel genoegen doen als u eens aan boord kwam.’.

8. Vreedenburgh verkende ook eigen land: hij deed Groningen, Leeuwarden en Maastricht aan en begin jaren dertig bezocht hij, waarschijnlijk samen met Tholen, diverse stadjes rond de Zuiderzee. In Frankrijk bezocht hij de Provence en Arles. Hij reisde herhaaldelijk naar St. Tropez (1917, 1919, 1920, 1924, 1925), soms samen met schilder Paul Arntzenius die hij via Tholen had leren kennen. In Italie werkte hij Camogli (1931). In 1939 zou hij zijn laatste reis maken, naar Estoril, Portugal.

9. Vreedenburghs reisverslag verscheen in het Panorama Kerstboek van datzelfde jaar.

10. Vreedenburgh ontving bovendien de bronzen medaille op de vierjaarlijkse tentoonstelling in Arnhem (1909) en behaalde in San Francisco de zilveren medaille [1925?].

11. Deze kunsthandels waren Boussod, Valadon & Cie. in Den Haag, Caramelli & Tessaro in Utrecht en Frederik Muller & Co in Amsterdam. Daarnaast schilderde hij, hetzij op minder hoog niveau, voor de Amerikaanse kunstmarkt.

12. Zijn werk was al bekend bij de koninklijke familie, want in 1907 had Koningin-Moeder Emma Vreedenburghs ‘Landschap met koeien’ gekocht.

13. De koningin gaf schilder Willy Sluiter (1873-1949) de opdracht vier kunstenaars uit te nodigen om elk een schilderij voor het kamerscherm te maken. Naast Vreedenburgh waren dit H.J. Wolter, J.H. van Mastenbroek en L.W. van Soest.

14. Koningin Wilhelmina bracht een verrassingsbezoek aan de expositie en kocht twee schilderijen: ‘Koeien in de wei’ en ‘Prins Hendrikkade’.

15. Calker (1941), 218. Vreedenburgh werd begraven op het St. Janskerkhof van Laren. Het jaar na zijn overlijden werden bij kunsthandel/veilinghuis Paul Brandt in Amsterdam 366 werken uit zijn atelier verkocht. Enkele maanden later volgde een verkooptentoonstelling in de kunstzalen van Gebr. Koch in Den Haag. Het werk van Vreedenburgh bevindt zich tegenwoordig in collecties van het Stadsmuseum Woerden, Centraal Museum Utrecht en Singer Laren.