Blaaderen, Gerrit Willem van

(Nieuwer-Amstel 1873 - 1935 Bergen NH)

Seine kade – Wasvrouwen aan de Seine, 1908, olieverf op doek, 50 x 61 cm, collectie Stichting Schone Kunsten 1900 / Drents Museum

Gerrit Willem van Blaaderen werd geboren in Nieuwer-Amstel als zoon van een welgestelde landeigenaar. Hij studeerde achtereenvolgens aan de Kunst-Nijverheid-Teekenschool Quellinus in Amsterdam, aan de School voor bouwkunde, versierende kunsten en kunstambachten in Haarlem, aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam en aan de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Na zijn opleiding zocht Van Blaaderen aansluiting bij de Larense schilders. Van Blaaderen werd lid van enkele kunstenaarsverenigingen: Kunst Zij Ons Doel in Haarlem, St. Lucas en Arti et Amicitiae in Amsterdam en de Gooise club De Tien. In Laren schilderde hij naar voorbeeld van Anton Mauve (1838-1888) vooral het boerenleven in de natuur. Zijn werk uit Laren werd in 1904 en 1905 beloond met de Koninklijke subsidie voor jonge kunstenaars.
In 1905 huwde Van Blaaderen de kunstenares Riet Hoogendijk (1874-1942). Zij was de zus van Cornelis Hoogendijk (1866-1911), die een indrukwekkende collectie van zo’n 1000 kunstwerken bezat. Oude kunst, maar ook op dat moment zeer modern werk van onder meer Monet, Redon, Cézanne (34 werken) en Van Gogh (12 schilderijen en 4 tekeningen). Vooral de schilderijen van Sisley, Van Gogh en Cézanne hebben invloed gehad op Van Blaaderen.
Vanaf 1906 nam Van Blaaderen afstand van de stijl van de Larense schilders. Hij reisde onder meer naar Parijs en Samois-sur-Seine en ging een lichter, luministisch en impressionistisch palet gebruiken. Hij behoorde daarmee in Nederland tot de gematigd modernen. In Huizen liet het echtpaar door architect De Bazel een landhuis bouwen, volgens Berlage het beste buitenhuis dat De Bazel had ontworpen. De tuin werd in architectonische stijl aangelegd door Dirk Tersteeg (1876-1942). Voor de inrichting werd gebruik gemaakt van de werkplaats De Ploeg uit Amsterdam.

Huis met kippen, 1924, olieverf op doek, 100 x 120 cm, particuliere collectie

Door ziekte van Cornelis Hoogendijk kwam het beheer van de collectie in handen van het echtpaar Van Blaaderen en hun zwager Ferdinand Kranenburg (1870-1949). De collectie werd in 1906 door hen in bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum dat daaruit een selectie mocht maken. In de daarop volgende jaren werd een groot deel van de collectie op veilingen verkocht. In 1912 werden 62 werken aan het Rijksmuseum geschonken.
Van Blaaderen trok veel op met zijn kunstenaarsvrienden Hendrik Jan Wolter, Kees Maks en Leo Gestel. Uit onvrede met het tentoonstellingsbeleid van de bestaande kunstenaarsverenigingen richtte hij met hen in 1913 de Hollandsche Kunstenaarskring op. In 1915 scheidden Van Blaaderen en Riet Hoogendijk waardoor hij nu zelf voor broodwinning moest gaan zorgen.  In 1919 vestigde Van Blaaderen zich met zijn tweede vrouw in Samois-sur-Seine en in 1921 in Bergen. Hij ontwikkelde een heel eigen stijl, naar zijn grote voorbeeld Paul Cézanne. Een stijl die hij in 1924 op zijn reis naar Sicilië (samen met Leo Gestel) verder ontwikkelde. De schilderijen en tekeningen uit Taormina vallen op door hun kubistische vorm-, kleur- en vlakgebruik, waarmee hij ook veel waardering kreeg. Hij nam enkele malen deel aan de Salon d’Automne in Parijs en de Biënnale in Venetië.  In Douarnenez  maakte hij een reeks imposante schilderijen van de Bretonse vissers.

Débarquement de la pêche, 1928, olieverf op doek, 100,5 x 120,7 cm, particuliere collectie

In Bergen, waar hij naast Charley Toorop en op loopafstand van zijn vrienden Leo Gestel en Jan Ponstijn woonde, maakte hij enkele schilderijen en tekeningen waar de invloed van de Bergense School in zichtbaar is. In 1927 overleed zijn nog jonge, tweede vrouw en was Van Blaaderen steeds minder in staat om werk te maken. Bovendien namen door de crisis begin jaren dertig zijn mecenassen Piet Boendermaker en Wim Selderbeek vrijwel geen werken meer af. Van Blaaderen weigerde principieel in opdracht te werken. Nadat ook nog Leo Gestel in 1929 naar Blaricum verhuisde, vereenzaamde Van Blaaderen. In 1935 stierf hij, straatarm. Hij liet een relatief klein maar rijk oeuvre na van ongeveer 300 schilderijen en 100 werken op papier.

Tekst: Kees van der Geer

Zijl, Lambertus

(Kralingen 1866 - 1947 Bussum)

a. Schaal: ‘De tocht naar het licht’, 1891; brons, ∅ 55.

Zijl, wiens vader als lagere ambtenaar bij de rijksoverheid werkte, kreeg zijn opleiding te Amsterdam aan de Quellinusschool (1880-83) en de Rijksschool voor Kunstnijverheid (1883-87), op welke laatste school hij bevriend raakte met o.a. Gerrit Dijsselhof, Joseph Mendes da Costa en Theo Nieuwenhuis. Onder de naam ‘Labor et Ars’ vormde hij met Dijsselhof, Mendes da Costa en Nieuwenhuis een klein clubje dat regelmatig bijeen kwam om over kunst te discussiëren (zie afb. 00). Al gauw raakte hij ook bevriend met C.A. Lion Cachet en kort daarop kwam hij via Dijsselhof in contact met Maurits van der Valk en de overige kunstenaars en schrijvers die deel uitmaakten van de kring van de Tachtigers. Ondertussen deed hij praktische ervaring op bij de steenhouwersfirma Van den Bossche & Crevels, waar vooral decoratieve sculptuur voor gebouwen werd gehakt. Na voltooiing van zijn opleiding startte Zijl met Mendes da Costa een eigen firma. In 1889 gingen ze samen naar Parijs om de Wereldtentoonstelling te bezoeken; ze troffen daar Dijsselhof en Nieuwenhuis, die mee hadden gewerkt aan de inrichting van het Nederlandse paviljoen, en raakten zeer onder indruk van het werk van Auguste Rodin, maar ook van de oude Egyptische en Assyrische beeldhouwkunst in het Louvre. In de winter van 1890/91 hadden ze in Amsterdam een tentoonstelling, waar hun werk de aandacht trok van H.P. Berlage, die er een lovende recensie over schreef.

b. ‘Indische tuin’ (reliëf uit het stoomschip ‘Melchior Treub’), 1913; brons, 97 x 78.

Belangrijke opdrachten bleven echter uit en daarom gingen Zijl en Mendes da Costa in 1892 weer uit elkaar; ze bleven overigens voor de rest van hun leven goede vrienden. Kort daarna werd Zijl door Berlage gevraagd beeldhouwwerk te leveren voor een door hem ontworpen kantoorgebouw, hetgeen het begin zou worden van een jarenlange samenwerking. Hoogtepunt van deze samenwerking werd het befaamde Beursgebouw in Amsterdam (gebouwd 1898-1903), waarvoor Zijl alle bouwsculptuur verzorgde. Hij ontwikkelde hier een strakke, gestileerde vormgeving, waarbij de beelden geheel zijn geïntegreerd in de gevels en niet buiten de muurvlakken uitsteken. Met deze aanpak trok hij veel aandacht als een vernieuwend en origineel beeldhouwer, die bereid èn in staat was zijn werk geheel aan de architectuur aan te passen.
Inmiddels was Zijl ook als ceramist actief. Samen met Chris van der Hoef, zijn assistent, was hij in 1898 door W.C. Hoeker gevraagd om aardewerk te gaan ontwerpen voor diens zojuist opgerichte fabriek ‘Amstelhoek’ en in 1900 kwamen hun eerste ceramische producten op de markt (zie afb. 00). Deze worden gekenmerkt door eenvoudige vormen en een sobere, gestileerde en vaak geheel abstracte decoratie, die vrijwel meteen de aandacht trok van alle in vernieuwing geïnteresseerde critici. Welke ontwerpen uit deze beginjaren van Zijl en welke van Van der Hoef zijn is overigens moeilijk vast te stellen, aangezien de objecten niet werden gesigneerd.

c. Spelende beren (model voor bekroning van trappenbaluster), ca, 1916; gips, hoogte 25.

In 1901 trok Zijl zich terug uit Amstelhoek om zich weer geheel op de beeldhouwkunst te concentreren. Behalve met Berlage ging hij nu ook samenwerken met Lion Cachet, die hem inschakelde bij de inrichting van het huis van het echtpaar Dentz van Schaick-Marloff. Kort daarop verruilde hij Amsterdam voor Bussum, niet ver van Lion Cachets woonplaats Vreeland, van waaruit hij betrokken werd bij het eerste van een reeks nieuwe grote projecten van zijn vriend: de inrichting van de (eerste-klasse) passagiersverblijven van enkele tientallen oceaanschepen voor de vaart naar en binnen Nederlands-Indië. Tot in de jaren ’30 zou hij een grote hoeveelheid decoratieve sculpturale onderdelen van die interieurs ontwerpen: wandpanelen, trapbekroningen, consoles, lichtornamenten etc. in hout, brons, marmer en nog allerlei andere materialen. Dit werk vertoont overigens lang niet zo’n strakke stilering als dat voor Berlage; Lion Cachet liet hem vrij om de plastische, enigszins impressionistisch aandoende stijl te volgen die zijn persoonlijke voorkeur had. Ook de sculpturen die hij af en toe uitvoerde voor andere architecten en interieurontwerpers, onder wie K.P.C. de Bazel, W. Kromhout en A.J. Kropholler, ogen veel vrijer en zelfstandiger dan die voor Berlage, voor wie hij trouwens na 1914 weinig meer heeft gedaan.

d. IJsbeer (ca. 1925/30), Staand meisje (1900), Staand jongetje (1900), Jongensbuste (ca, 1902); brons, hoogte 18, 17, 22 en 20.

Naast beeldhouwwerk voor gebouwen en interieurs heeft Zijl ook altijd kleinplastiek vervaardigd, voornamelijk in brons, waarmee hij veel succes heeft gehad. Tevens heeft hij enkele penningen en plaquettes gemaakt. Slechts éénmaal werd hij in de gelegenheid gesteld zelfstandig een groot, vrijstaand beeld uit te voeren: het monument voor koningin-moeder Emma, dat in 1938 in Amsterdam werd onthuld. Hoewel hij veel werk in dienst van anderen heeft gemaakt, geldt hij als een de belangrijkste en invloedrijkste beeldhouwers van zijn tijd, die samen met Mendes da Costa de Nederlandse beeldhouwkunst aan het begin van de 20ste eeuw wist te bevrijden van het academisch classicisme dat tot dan de toon aangaf.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

abcd. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel

Zoetelief Tromp, Johannes (Jan)

(Batavia 1872 - 1947 Breteuil-sur-Iton (Fr.))

Jan Zoetelief Tromp in zijn atelier

Jan Zoetelief Tromp, oorspronkelijk Jan Tromp geheten, was doof geboren. Zijn grootmoeder verkocht haar huis en inboedel en vertrok met hem naar Europa om specialisten te bezoeken. Een medische oplossing was er niet en zo kwam hij op het doveninstituut in Rotterdam, waar hij leerde liplezen en praten. Weer terug in Nederlands-Indië kreeg hij privéles van een gouvernante. Hij kon goed tekenen en zo werd besloten dat hij naar de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten zou gaan. Nog voor zijn vertrek liet hij officieel de naam van zijn grootmoeder bij zijn naam voegen. In 1893 werd hij ingeschreven bij de Haagse Academie en van 1893 – 1895 bezocht hij de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Hij was lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in Amsterdam.

Marie Zoetelief Tromp-Blommers, aquarel, 43 x 80 cm.

Na zijn studie in Amsterdam keerde Zoetelief Tromp in 1895 terug naar Den Haag; daar werd de jonge schilder opgenomen in het kunstenaarsmilieu rond Pulchri Studio. Hij ontmoette zo onder anderen de schilder Bernard Blommers en zijn familie; in 1899 trouwde hij met Marie, de jongste dochter van Blommers. Het echtpaar Zoetelief Tromp kreeg zeven kinderen, die hij meermalen portretteerde.

Wandelende kinderen met geitje, olieverf op doek, 68 x 95 cm.

Het werk van Zoetelief Tromp omvat schilderijen, tekeningen, etsen en litho’s. Met zijn schilderijen, in het voetspoor van de Haagse School maar met een lichter en zonniger coloriet, had hij vrij snel succes. Hij exposeerde en verkocht veel in de jaren omstreeks 1900. In 1899 verhuisde hij naar Blaricum, waar hij een atelierwoning liet bouwen. Hoewel zijn schilderijen zelden gedateerd zijn, kan globaal gezegd dat de schilderijen met kinderen en geitjes uit de Blaricumse tijd zijn.

Spelende kinderen op het strand, olieverf op doek, 31 x 41 cm.

Door de Eerste Wereldoorlog liep de verkoop naar Engeland, Schotland en Amerika terug. De familie verhuisde in 1919 naar Katwijk aan Zee, waar Zoetelief Tromp zomers ook al veel was geweest om te schilderen. Daar zijn vele strandtaferelen met spelende kinderen en schelpenvissers ontstaan.

Dochter Hette, olieverf op doek, 28 x 31 cm
Rechtsonder: Aan Mevrouw

Door de crisis aan het eind van de jaren twintig viel de kunsthandel opnieuw bijna stil. Het gezin vertrok in 1928 naar Frankrijk nabij Breteuil-sur-Iton, waar de oudste zoon al eerder een kippenfokkerij was begonnen. Daar schilderde Zoetelief Tromp tot aan zijn overlijden in 1947.

De stichting Jan Zoetelief Tromp beheert een database met rond de 550 werken.

Fotografie: Iwan Baan
Tekstbewerking: Lieske Tibbe

Zwollo sr., Frans

(Amsterdam 1872 - 1945 Amstelveen)

a. Wierookbrander (ca. 1920), bakje (ca. 1905), vaas (ca. 1915/10) en theedoosje (ca. 1900); verguld koper (de wierookbrander) en messing, hoogte vaas 20.

Net als zijn oudere broer Maarten, werd Zwollo door zijn vader met de eerste beginselen van het vak vertrouwd gemaakt. Daarna bezocht hij in Amsterdam de Teekensschool voor Kunstambachten en de Quellinusschool en leerde daarnaast in de praktijk ciseleren bij de edelsmid Frans Wildering. In 1888 stapte hij over naar de firma Bonebakker, waar zijn vader werkte. In 1892 vertrok hij naar Brussel waar hij korte tijd bij de firma Delheid Frères werkte en bezocht aansluitend Parijs. Na zijn terugkeer vestigde hij zich als zelfstandig edelsmid in Amsterdam, waar hij o.a. opdrachten voor Bonebakker uitvoerde. In 1895 trad hij samen met zijn broer Maarten in dienst bij de zilverfabriek van J.M. van Kempen & Zonen in Voorschoten, waar hij ciseleur werd, maar het jaar daarop ging hij weer zelfstandig in Amsterdam werken, waar hij behalve voor Bonebakker ook af en toe wat voor de firma Hoeker & Zoon deed. In 1897 werd hij benoemd tot docent metaalbewerking aan de Kunstnijverheidsschool in Haarlem. Hier raakte hij bevriend met mededocent K.P.C. de Bazel, die hem in aanraking bracht met de theosofie. Hij werd een overtuigd aanhanger van deze levensbeschouwing en volgde enige tijd de door De Bazel en diens vriend en compagnon J.L.M. Lauweriks opgezette Vahânacursus. Ook ging hij werken voor hun atelier voor interieurkunst, waaraan hij o.a. meubelbeslag leverde. In 1900 werden ze gedrieën medewerker van de coöperatieve interieurinrichtingsfirma ’t Binnenhuis, maar net als de meeste andere betrokken kunstenaars verlieten ze deze firma alweer in 1901.

b. Sierschotel en flesvormige vaas, 1915 ven ca. 1920; gehamerd messing, ∅ 26 en gehamerd tombak met zilveren randje, hoogte 31,5 (de vaas geschenk van de Stichting Beringer-Hazewinkel).

In 1902 had Zwollo voor het eerst internationaal succes; hij won een gouden medaille met een zilveren fruitschaal op de belangrijke ‘Eerste Internationale Tentoonstelling voor Decoratieve Kunst’ in Turijn. Het aantal opdrachten nam hierna snel toe en daarom nam hij in 1907 ontslag als leraar in Haarlem. Toch ging hij in 1910 alweer in op het aanbod van Lauweriks om onder diens leiding in Hagen (Duitsland) les te komen geven aan een nieuw opleidingsinstituut voor de bijscholing van teken- en handvaardigheidsdocenten. Zijn beslissing zal ongetwijfeld positief beïnvloed zijn door het feit dat hij tevens chef van de werkplaats van de ‘Hagener Silberschmiede’ kon worden (waarvan Lauweriks artistiek leider werd; zie ook afb. 00). Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog duurde Zwollo’s verblijf in Hagen echter korter dan bedoeld. Hij keerde in 1914 terug naar Nederland, waar hij docent werd aan de academie in Den Haag, die met ingang van dat jaar een afdeling voor kunstnijverheid kreeg. Aan deze academie zou hij tot 1931 verbonden blijven (en er o.a. Willem Valk en zijn zoon Frans jr. opleiden). Daarnaast werd hij in Den Haag lid van Arti et Industria en opende er een eigen atelier, waar Frans jr. hem ging assisteren. Hier voerde hij o.a. meerdere opdrachten voor Hélène Kröller-Müller uit. In 1925 kreeg hij opnieuw een gouden medaille, nu voor zijn inzending naar de spraakmakende ‘Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes’ te Parijs. In 1935 nam hij tenslotte voor de laatste maal een docentschap aan, zij het slechts voor korte tijd, aan de Vakschool voor Goud- en Zilversmeden in Schoonhoven. Na zijn pensionering ging hij in 1937 in Amstelveen wonen, waar hij niet veel belangrijks meer heeft gemaakt.
Zwollo, die een omvangrijk oeuvre van vooral kleinere sier- en gebruiksvoorwerpen heeft nagelaten, is onbetwist een van de meest vooraanstaande Nederlandse edelsmeden en metaalontwerpers van zijn tijd geweest. Samen met Jan Eisenloeffel (die hij goed kende, o.a. via de VANK waarvan hij vanaf de oprichting in 1904 lid was) heeft hij grote invloed uitgeoefend op de metaalkunst uit het begin van de 20ste eeuw. Terwijl Eisenloeffel vooral bekend is geworden door de soberheid van zijn ontwerpen, heeft Zwollo het decoratieve element in zijn vormgeving nooit zo streng onderdrukt. Zijn ornamentiek, die in het begin vaak aan de natuur ontleend was maar na ca. 1910 een steeds abstracter karakter kreeg, is echter altijd in de totale vorm geïntegreerd en daarmee is zijn werk in wezen net zo vernieuwend als dat van zijn collega.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ab. JAV Studio’s, Assen

Wall Perné, Gustaaf Frederik (Gust) Van De

(Apeldoorn 1877 - 1911 Amsterdam)

Illustratie bij het zelfgeschreven sprookje De Kolenbrander en de Reus, 1908, aquarel, collectie Drents Museum.

Liefde voor kunst en natuur waren al op jonge leeftijd aanwezig bij Gust van de Wall Perné. Hij struinde rond over de Veluwe en hoorde er de volksverhalen die hij later zou optekenen. In zijn geboorteplaats Apeldoorn discussieerde hij met kunstenaarsechtpaar Chris en Agathe Wegerif over de Nieuwe Kunst. Na het afronden van een opleiding aan de Rijksnormaalschool voor tekenonderwijzers te Amsterdam in 1897 werkte hij als ontwerper voor de meubel- en batikateliers van de Wegerifs in Apeldoorn. De producten die volgens de principes van de Nieuwe Kunst gemaakt werden, verkocht men bij de Haagse kunsthandel Arts and Crafts.
Vanaf 1899 woonde en werkte Van de Wall Perné samen met zijn vrouw Eugénie van Vooren (1873-1958) in Amsterdam.

Bandontwerp voor: P.H. Hugenholtz, Levenslicht: Stichtelijke bloemlezing voor onzen tijd, Amsterdam (Van Holkema & Warendorf) 1901.

Hij ontwierp een groot aantal boekbanden en illustraties in opdracht van boekdrukkerij J.H. de Bussy & Co., waaronder twee huldeblijkalbums voor het huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik. Vanaf 1904 werkte Van de Wall Perné als docent kostuumkunde aan de Toneelschool en ging hij zich eveneens bezig houden met reformkleding en weefkunst. Zijn ontwerpen werden uitgevoerd en gedragen door zijn echtgenote.

Elke zomer verbleef het echtpaar Van de Wall Perné in hun eigen ontworpen atelierwoning in Hoog Soeren. De natuur en volksverhalen van de Veluwe dienden als onderwerp voor de vele schilderijen en tekeningen die de kunstenaar maakte, meestal landschappen met een symbolistische ondertoon.

Landschap met lelie en ster, ca. 1909, olieverf op paneel, 72 x 16 cm, collectie Stedelijk Museum Amsterdam.

Het werk werd voornamelijk tentoongesteld bij kunstenaarsvereniging Sint Lucas, waar Van de Wall Perné bestuurslid was. Hij had er contact met Piet Mondriaan en zij spraken over het feit dat kunst abstracter zou moeten worden om een diepere, spirituele werkelijkheid te laten zien. Met andere gelijkgestemden richtte Van de Wall Perné in 1911 de Vereniging van Kunstenaren der Idee op. In 1909 verscheen de eerste bundel Veluwsche sagen die de kunstenaar schreef en van illustraties voorzag. Geheel in deze lijn illustreerde hij in 1911 een Nederlandse uitgave van De Edda. Een tweede bundel Veluwsche sagen zou een jaar na zijn dood verschijnen.
Van de Wall Perné stierf op 27 december 1911 aan de gevolgen van een loodvergiftiging.

Mystieke paden, 1907, olieverf op doek, 129 x 177 cm, collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Zijn kunst was nog volop in ontwikkeling. In zijn korte kunstenaarsbestaan had hij zich op verschillende vlakken weten te ontwikkelen als een man van zijn tijd met eigen idealen. Hij behoorde tot de kunstenaars rond 1900 die zich niet beperkten tot de schilderkunst maar binnen allerlei disciplines van zich lieten horen. Werken van hem bevinden zich vandaag de dag onder andere in de collecties van het Rijksmuseum Amsterdam, het Stedelijk Museum Amsterdam, CODA Museum Apeldoorn en het Drents Museum. De Veluwsche Sagen zijn vele malen opnieuw uitgegeven.

Tekst: Annemiek Rens

Zandleven, Jan Adam

(Koog a/d Zaan 1868 - 1923 Rhenen)

a. Besneeuwd landschap, 1906; olieverf op doek op paneel gelijmd, 33 x 47,5.

Zandleven was de oudste zoon van een verffabrikant die graag wilde dat hij ook in het bedrijf kwam werken. Hoewel hij veel liever kunstenaar wilde worden, gaf hij aanvankelijk aan de wens van zijn vader toe, al bleef hij in zijn vrije tijd met veel energie tekenen en schilderen. In 1902 besloot hij zich echter alsnog op het schilderen te gaan toeleggen, mede op aanraden van Jozef Israëls en P.J.C. Gabriël, die hij wat werk had laten zien. Hij vestigde zich in 1904 in Gorssel, waar hij zich op eigen gelegenheid in het schilderen bekwaamde. Kort daarop maakte hij kennis met H.P. Bremmer, die zijn talent onderkende en hem met raad en daad bij ging staan. Niet alleen schreef Bremmer geregeld over hem in zijn tijdschrift Beeldende Kunst, hij steunde hem ook financieel door geregeld werk van hem af te nemen en dat aan zijn cursisten te verkopen. In deze periode schilderde Zandleven vooral landschappen en bosgezichten, in een stijl die aansluit bij de Haagse School. In 1908 exposeerde hij voor het eerst, maar de kritiek was niet onverdeeld positief en hij verkocht nauwelijks iets. Hij gaf de moed echter niet op en bleef in de jaren hierna geregeld aan tentoonstellingen meedoen. Langzamerhand ontwikkelde hij de karakteristieke werkwijze waarmee hij bekend is geworden en die het best omschreven kan worden als een kleurig, breed en pasteus soort pointillisme. Na in 1912 met Bremmer een reis naar Düsseldorf en Keulen te hebben gemaakt om tentoonstellingen te bezoeken, ging hij in Putten wonen. Hier ging hij naast landschappen steeds vaker stillevens en interieurs schilderen. De verkoop van zijn werk begon nu wat beter te lopen, zodat de financiële ondersteuning door Bremmer in 1917 gestaakt kon worden. Deze bleef Zandleven overigens wel op een andere wijze steunen; zo wijdde hij in 1922 een hele aflevering van Beeldende Kunst aan hem.

b. Bloeiende vruchtenboom, 1914; olieverf op doek, 52 x 37.

Ondertussen was Zandleven in 1918 voor de laatste maal verhuisd, naar Rhenen. Hier zou hij de rest van zijn leven blijven werken, totdat hij op nog maar 55-jarige leeftijd aan kanker overleed. Ondanks zijn zeer herkenbare, persoonlijke stijl was hij toen bij het grote publiek nog steeds nauwelijks bekend. Ongetwijfeld komt dat omdat hij zich altijd vrij afzijdig had gehouden van de kunstwereld. Weliswaar was hij enige jaren (buiten)lid van Arti et Amicitiae en Sint Lucas geweest, maar de enige collega’s met wie hij vaker contact had waren andere kunstenaars uit de kring rond Bremmer. Vooral dankzij diens steun hadden zijn schilderijen hun weg gevonden naar een toegewijde, maar kleine kring van liefhebbers en verzamelaars. Pas in 1929, zes jaar na zijn dood, werd zijn naam in bredere kring bekend, dankzij een ‘eretentoonstelling’ in het Stedelijk Museum in Amsterdam, maar eigenlijk is zijn reputatie pas definitief gevestigd na de grote expositie van zijn werk in 1962 in het Dordrechts Museum.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ab. JAV Studio’s, Assen

Hulshoff Pol, Albert

(Hengelo 1883 - 1957 Hilversum)

Watermolen Oele

De schilder Albertus Gerhard Hulshoff Pol werd in 1883 in Hengelo geboren in een textielfabrikantengezin. Als kind al trok hij de natuur in om te tekenen. Na de driejarige H.B.S. volgde hij op aandringen van zijn vader een bankiersopleiding aan de handelsschool in Utrecht. Zelf wilde hij liever kunstschilder worden; daarom vertrok hij naar Amsterdam om les te nemen bij de van oorsprong Almelose kunstschilder A.M. Gorter, die hij waarschijnlijk al eerder kende. Zijn werk doet aan dat van Gorter denken. Ook bezocht hij korte tijd de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zijn leermeesters daar waren C.L. Dake en H.J. Wolter.

Molenven Saasveld

Bij de kunstenaarsvereniging Sint Lucas ontmoette Albert de 11 jaar oudere schilder Piet Mondriaan. Samen trokken ze erop uit in de omgeving van Amsterdam en samen schilderden ze rondom Hengelo (1906-1908). Hun onderwerpen in Twente zijn onder andere het Molenven bij Saasveld en de Watermolen bij Oele. De vader van Hulshoff Pol bezat daar een landgoed met een boerderij ‘De Waarbeek’. Daar logeerden de beide kunstenaars en Hulshoff Pol maakte er een schilderij van.

Albert Hulshoff Pol met vrouw en dochter.

Wat de twee bond was een zoektocht naar het beleven van de natuur en hoe dat te vertalen in kunst. In de jaren met Albert Hulshoff Pol gaat Mondriaan steeds meer vereenvoudigen, steeds meer symbolisch schilderen, steeds meer de essentie proberen te pakken. Hulshoff Pol probeert dat ook, soms, maar voor hem gaat het er meer om de sfeer van het landschap te pakken, in een min of meer romantisch-impressionistische trant.
In 1918 trouwde Hulshoff Pol met Arnolda Sonderman. Het stel gaat in Hilversum wonen. Daar wordt dochter Arnolda geboren. En daar zal Albert overlijden in 1957.

Loosdrechtse plassen

Niet Twente is in de tweede helft van zijn leven de inspiratiebron van Hulshoff Pol, maar het veenlandschap bij Hilversum: de plassen, de sloten, het wilgenstruweel, de rietkragen en de wind. Kenmerkend voor zijn beste doeken zijn ‘een breed gebaar, een krachtige zwaai, vlug en jachtig’. Met een groep Gooise medeschilders zet hij zich af tegen de toenemende oppervlakkigheid binnen de ‘Larense School’. Het gaat hem niet om het mooie plaatje, maar om het gevoel erachter. Behalve landschappen schilderde, tekende en etste hij interieurs, suikerfabrieken, portretten, bloemen en stillevens. Voor de Universiteit van Utrecht maakte hij portretten van de hoogleraren Moll en Ornstein.

Vestinggracht Muiden

Hulshoff Pol was (bestuurs-) lid van diverse schilder genootschappen, onder andere Arti et Amicitiae en St Lucas in Amsterdam. Zo sprak hij zijn kunstbroeders en kon hij regelmatig exposeren in het Stedelijk Museum, waar destijds de kunstenaarsverenigingen (verkoop)exposities hielden. Regelmatig had hij zitting in een jury voor te houden tentoonstellingen. Eén van zijn leerlingen is de kunstschilder Jan van Rijlaarsdam.
Albert Hulshoff Pol kreeg de gouden medaille van Koningin Wilhelmina en de Willink van Collenprijs van Arti et Amicitiae. Werk van hem is onder andere opgenomen in de Rijkscollectie, het Centraal Museum Utrecht, het Singer Museum in Laren en het Goois Museum in Hilversum. Koningin Wilhelmina kocht meerdere schilderijen van Albert Hulshoff Pol.

Albert Hulshoff Pol wordt vermeld in de lexica van Mak van Waay (1870-1940) en  Pieter A. Scheen (1750-1950). Er is een hoofdstuk aan hem gewijd in: H.H. van Calker, Schilders van heden en morgen. Deel I. In het atelier van den schilder, Amsterdam z.j.

Zwollo, Maarten

(Amsterdam 1863 - 1928 Zoetermeer of Leiden)

a. Portretkop van Jac. Van den Bosch, ca. 1925; gips, hoogte 40.

Zwollo was de oudste van vier broers, van wie er drie net als hun vader in de edelsmeedindustrie zouden gaan werken, maar van wie alleen Frans bekendheid heeft verworven. De vierde broer werd lithograaf. Vermoedelijk kreeg Zwollo zijn eerste teken- en boetseerlessen van zijn vader, die chef van het atelier van de gerenommeerde Amsterdamse juweliersfirma Bonebakker was. Van 1880 tot 1884 bezocht hij de Rijksakademie, waar hij o.a. les in boetseren kreeg van Franz Stracké (1849-1919), en van 1885 tot 1889 de Rijksschool voor Kunstnijverheid, waar hij decoratief beeldhouwen leerde van L. Jünger (1856-1914?). Daarna moet hij op freelance-basis voor Bonebakker en Begeer gewerkt hebben om rond 1895 als modelleur in dienst te treden bij de zilverfabriek van J.M. van Kempen & Zonen in Voorschoten. Hier modelleerde hij vooral grotere stukken en plaquettes en penningen. Ook na de fusie van Van Kempen met de firma’s Begeer en Vos in 1919 is hij nog enige tijd in de fabriek in Voorschoten werkzaam gebleven, maar in 1923 vestigde hij zich als zelfstandig edelsmid in Leiden. Het enige architecturale werk dat van hem bekend is, is het beeldhouwwerk uit 1926 aan de gevel en in het interieur van het raadhuis van Voorschoten. Zelfstandig, ‘vrij’ beeldhouwwerk schijnt hij nauwelijks gemaakt te hebben, op enkele portretten van familieleden na. Daaronder bevinden zich een kop en een portretreliëf van zijn zwager Jac. van den Bosch, die directeur was van de bekende interieurinrichtingsfirma ’t Binnenhuis. Verder heeft hij in 1925 de bronzen plaquette vervaardigd, die Van den Bosch kreeg aangeboden ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van deze firma.

b. Gedenkplaquette voor ’t Binnenhuis, 1925; brons, 19,5 x 26.

De weinige sculpturen die van Zwollo bekend zijn, laten zien dat hij een bekwaam beeldhouwer is geweest, die zijn modellen goed gelijkend weer wist te geven. Hij was lid van de Leidse verenigingen ‘De Kunst om De Kunst’ en ‘De Sphinx’, waarmee hij een enkele maal heeft geëxposeerd, maar verder is hij zelden naar buiten getreden. Hoewel hij leerling van de Rijksakademie was geweest, waar de opleiding primair gericht was op het ‘vrije’ kunstenaarschap, was hij er kennelijk tevreden mee in de anonimiteit van een groot bedrijf op te gaan.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ab. JAV Studio’s, Assen

Lantman, George Henri

(Amstelveen 1875-1933 Amsterdam)

(Amstelveen 1875-1933 Amsterdam)

Pendule, h. 38,5 cm, tombak, gesign. G.H. Lantman, 1920

George Henri Lantman was edelsmid en metaalbewerker. Vlak na zijn opleiding aan de School voor Kunstnijverheid in Haarlem ontmoette hij de bekende edelsmid Frans Zwollo Sr, een belangrijke leermeester voor Lantman.
Ook ging hij in de leer bij een aantal werkplaatsen en ateliers voor kunstnijverheid in Amsterdam. Na een korte periode werkzaam te zijn geweest bij de zilverfabriek C. J. Begeer te Utrecht was Lantman van 1912 tot 1933 als leraar edelsmeden verbonden aan de ‘Kunstnijverheidsschool Quellinus Amsterdam’, later het ‘Instituut voor Kunstnijverheid’, in Amsterdam.

Lantman in zijn atelier in Amstelveen. Hij werkt hier aan een schaal die deel uitmaakte van de inzending van de Fa. Begeer in 1910 op de ‘Exposition Internationale de Bruxelles’.
Broche, br. 3,8 cm, zilver met amazoniet, gesign. GH, z.j.
Broche, br. 5,2 cm, zilver met turkoois, gesign. G.H. Lantman, z.j.

Vanaf 1914 gaf hij ook les aan de avondklas van de ‘Teekenschool voor Kunstambachten’ te Amsterdam. Hij werd met name in vakkringen befaamd om zijn technische virtuositeit; zijn specialiteit was het uit één plaat metaal drijven van een sculptuur.

Kraaghagedis, h. 25 cm, tombak, gesign. G.H. Lantman, 1916

De rijke, op oriëntaalse kunst geïnspireerde decoraties die hij toepaste in zijn werk vertonen de invloed van zijn leermeester Zwollo en van de sierkunstenaar Carel Adolphe Lion Cachet, voor wie hij de nodige opdrachten uitvoerde.

Hij nam in zijn tijd aan een aantal belangrijke nationale en internationale tentoonstellingen deel, waaronder de vermaarde ‘Exposition Internationale des Arts Décoratifs & Industriels Modernes’ in Parijs in 1925. Zijn werk bevindt zich voornamelijk in privé-collecties en in een paar musea in Nederland en België.

Tekst: Adri Vermeer

Blommers, Bernardus Johannes

(Den Haag 1845 - 1914 Scheveningen)

Terugkeer van de vissersvloot (veiling New York (Christie’s), 27 januari 2010)

Bernardus Johannes Blommers werd geboren in Den Haag op 30 januari 1845 en werd opgeleid als lithograaf in de steendrukkerij van zijn vader. Van 1863 tot 1868 volgde Blommers lessen aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en ging in de leer bij Christoffel Bisschop (1828-1904), die zich had gespecialiseerd in het schilderen van genrestukken met Hindelooper interieurs. Na zijn academietijd ontmoette hij de Scheveningse Anna van der Toorn, die model stond voor enkele schilderijen. In 1869 portretteerde hij haar in Jonge Scheveningse en twee jaar later trouwden ze. Na het huwelijk verhuisde het echtpaar naar een hofje in de Jacob Catsstraat in Den Haag, waar Blommers een atelier aan huis had. In het atelier had de kunstenaar een Schevenings interieur ingericht, waar halverwege de jaren 1870 werken met als onderwerp moeder en kind ontstonden. Een van de mooiste schilderijen met dit onderwerp is Waar zijn de duifjes? uit 1875, dat positief werd ontvangen. Het tintelde van leven, het was onpretentieus en poëtisch, ongedwongen en bevallig. De uitdrukking dat Blommers’ werk ‘tintelde van leven’ kwam vanaf 1875 vaker voor in de kunstkritieken en deze ‘levensechtheid’ was dan ook een belangrijk element in zijn schilderijen.

Waar zijn de duifjes? (De Mesdag Collectie)

Zijn grootste artistieke succes beleefde Blommers tussen 1875 en 1890. Hij schilderde toen veel strandtaferelen, waaronder vissersvrouwen die de vis sorteren. Ook werd hij door de zeeschilder H.W. Mesdag (1831-1915) gevraagd een bijdrage te leveren aan het Panorama Mesdag. In deze periode was Blommers ook betrokken bij de oprichting van de Hollandsche Teekenmaatschappij. Eerder was hij bestuurslid van de Haagse kunstenaarsvereniging Pulchri Studio.

Hij bewoonde sinds 1881 een villa aan de Van Stolkweg vlakbij Scheveningen, maar doordat het vissersdorp Scheveningen, dat hij zo graag schilderde, veranderde in een mondaine badplaats vertrok hij omstreeks 1899 richting Katwijk. Omdat het Blommers er beviel, liet hij een tweede huis bouwen.

Jonge Scheveningse (Gemeentemuseum Den Haag)

Door Blommers’ succes groeide de belangstelling uit het buitenland, waardoor veel schilderijen naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië verdwenen. Maar met deze belangstelling groeide ook de kritiek. Zo schreef Albert Plasschaert:”Ik vrees inderdaad dat deze [kunstwerken] zijn made for America.” Samen met zijn vrouw reisde Blommers twee keer naar de Verenigde Staten, in 1904 en 1912. In 1912 bezocht het echtpaar New York, waar hun zoons woonden. Ongeveer twee jaar later overleed Blommers, een maand voor zijn zeventigste verjaardag, op 15 december 1914 in Scheveningen.

Tekst: Evelien de Visser