Blaaderen, Gerrit Willem van

(Nieuwer-Amstel 1873 - 1935 Bergen NH)

Seine kade – Wasvrouwen aan de Seine, 1908, olieverf op doek, 50 x 61 cm, collectie Stichting Schone Kunsten 1900 / Drents Museum

Gerrit Willem van Blaaderen werd geboren in Nieuwer-Amstel als zoon van een welgestelde landeigenaar. Hij studeerde achtereenvolgens aan de Kunst-Nijverheid-Teekenschool Quellinus in Amsterdam, aan de School voor bouwkunde, versierende kunsten en kunstambachten in Haarlem, aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam en aan de Antwerpse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Na zijn opleiding zocht Van Blaaderen aansluiting bij de Larense schilders. Van Blaaderen werd lid van enkele kunstenaarsverenigingen: Kunst Zij Ons Doel in Haarlem, St. Lucas en Arti et Amicitiae in Amsterdam en de Gooise club De Tien. In Laren schilderde hij naar voorbeeld van Anton Mauve (1838-1888) vooral het boerenleven in de natuur. Zijn werk uit Laren werd in 1904 en 1905 beloond met de Koninklijke subsidie voor jonge kunstenaars.
In 1905 huwde Van Blaaderen de kunstenares Riet Hoogendijk (1874-1942). Zij was de zus van Cornelis Hoogendijk (1866-1911), die een indrukwekkende collectie van zo’n 1000 kunstwerken bezat. Oude kunst, maar ook op dat moment zeer modern werk van onder meer Monet, Redon, Cézanne (34 werken) en Van Gogh (12 schilderijen en 4 tekeningen). Vooral de schilderijen van Sisley, Van Gogh en Cézanne hebben invloed gehad op Van Blaaderen.
Vanaf 1906 nam Van Blaaderen afstand van de stijl van de Larense schilders. Hij reisde onder meer naar Parijs en Samois-sur-Seine en ging een lichter, luministisch en impressionistisch palet gebruiken. Hij behoorde daarmee in Nederland tot de gematigd modernen. In Huizen liet het echtpaar door architect De Bazel een landhuis bouwen, volgens Berlage het beste buitenhuis dat De Bazel had ontworpen. De tuin werd in architectonische stijl aangelegd door Dirk Tersteeg (1876-1942). Voor de inrichting werd gebruik gemaakt van de werkplaats De Ploeg uit Amsterdam.

Huis met kippen, 1924, olieverf op doek, 100 x 120 cm, particuliere collectie

Door ziekte van Cornelis Hoogendijk kwam het beheer van de collectie in handen van het echtpaar Van Blaaderen en hun zwager Ferdinand Kranenburg (1870-1949). De collectie werd in 1906 door hen in bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum dat daaruit een selectie mocht maken. In de daarop volgende jaren werd een groot deel van de collectie op veilingen verkocht. In 1912 werden 62 werken aan het Rijksmuseum geschonken.
Van Blaaderen trok veel op met zijn kunstenaarsvrienden Hendrik Jan Wolter, Kees Maks en Leo Gestel. Uit onvrede met het tentoonstellingsbeleid van de bestaande kunstenaarsverenigingen richtte hij met hen in 1913 de Hollandsche Kunstenaarskring op. In 1915 scheidden Van Blaaderen en Riet Hoogendijk waardoor hij nu zelf voor broodwinning moest gaan zorgen.  In 1919 vestigde Van Blaaderen zich met zijn tweede vrouw in Samois-sur-Seine en in 1921 in Bergen. Hij ontwikkelde een heel eigen stijl, naar zijn grote voorbeeld Paul Cézanne. Een stijl die hij in 1924 op zijn reis naar Sicilië (samen met Leo Gestel) verder ontwikkelde. De schilderijen en tekeningen uit Taormina vallen op door hun kubistische vorm-, kleur- en vlakgebruik, waarmee hij ook veel waardering kreeg. Hij nam enkele malen deel aan de Salon d’Automne in Parijs en de Biënnale in Venetië.  In Douarnenez  maakte hij een reeks imposante schilderijen van de Bretonse vissers.

Débarquement de la pêche, 1928, olieverf op doek, 100,5 x 120,7 cm, particuliere collectie

In Bergen, waar hij naast Charley Toorop en op loopafstand van zijn vrienden Leo Gestel en Jan Ponstijn woonde, maakte hij enkele schilderijen en tekeningen waar de invloed van de Bergense School in zichtbaar is. In 1927 overleed zijn nog jonge, tweede vrouw en was Van Blaaderen steeds minder in staat om werk te maken. Bovendien namen door de crisis begin jaren dertig zijn mecenassen Piet Boendermaker en Wim Selderbeek vrijwel geen werken meer af. Van Blaaderen weigerde principieel in opdracht te werken. Nadat ook nog Leo Gestel in 1929 naar Blaricum verhuisde, vereenzaamde Van Blaaderen. In 1935 stierf hij, straatarm. Hij liet een relatief klein maar rijk oeuvre na van ongeveer 300 schilderijen en 100 werken op papier.

Tekst: Kees van der Geer

Mijnssen, Julia Auguste Caroline

(Amsterdam 1873 – 1936 Aerdenhout)

a. Portret van Julia Mijnssen

Julia Mijnssen was de dochter van Johannes Petrus Mijnssen (1839-1899), koopman, en van Wilhelmina Maria von den Steinen (1850-1906), een artistieke vrouw. Zij kregen drie dochters.
Al jong ontwikkelde Julia Mijnssen teken- en boetseertalent. Tevens kon zij goed pianospelen.

In die tijd was het niet gebruikelijk om als vrouw een beroepskunstopleiding te gaan volgen. Pas nadat een kennis van Julia’s ouders haar werk had gezien en geprezen, mocht zij boetseerlessen gaan volgen bij beeldhouwster Georgina Schwartze (1851-1918). Om zich voor te bereiden op het toelatingsexamen voor de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam kreeg zij tekenles van Gerard Overman (1855-1906).
In 1896 werd Julia Mijnssen toegelaten op de Rijksakademie en kwam in de tekenklas van professor Carel Lodewijk Dake (1857-1918). Ook kreeg zij les van professor August Allebé (1837-1927). “In U gaat een schilderes verloren” zou haar leraar Allebé hebben gezegd, toen Julia toch koos voor de opleiding tot beeldhouwster en lessen ging volgen bij Professor Ferdinand Leenhoff (1841-1914).

b. Tekening van een meisje, door Julia gemaakt op de Rijksakademie.

Deze overtuigde Julia ervan dat ze mee moest dingen naar de Prix de Rome. Dit was in 1899, haar derde studiejaar, en nog nooit had een vrouw meegedongen naar deze prijs. De onderwerpen voor dat jaar waren “De Lente” en “Saul en David”. Julia koos voor “De Lente” en werkte onder moeilijke omstandigheden aan haar opdracht. Zij had namelijk haar rechterarm gebroken en haar vader en haar medestudent Jan Hendrik Baars (1875-1899) waren onverwacht overleden. Zij wilde zich eigenlijk terugtrekken, maar professor Leenhoff stimuleerde haar om dóór te gaan. De Rijksakademie bezit een voorstudie in gips van dit beeld.

c. “De Lente”, voorstudie in gips voor de Prix de Rome in 1899, Rijksakademie.

Julia won deze Prix de Rome als eerste vrouwelijke kandidaat en reisde af naar Florence. In 1900 kwam zij in Rome aan en kon zij voor praktische vragen terecht bij Pier Pander (1864-1919). Deze Nederlandse beeldhouwer woonde en werkte in Rome na het winnen van de Prix de Rome in 1887, en ontving in zijn atelier tweemaal per week landgenoten die in Rome verbleven. Panders huis gold als een typisch stukje Holland in de Eeuwige Stad en Pier Pander hielp de nieuw aangekomen kunstenaars om een geschikt atelier te vinden.
Julia maakte in Rome veel tekeningen naar model waarvan er maar weinig bewaard zijn gebleven. Een beeld van een klein, zittend kind, daarna een reliëf van het zelfde kind en vervolgens een levensgroot beeld van een zittend meisje, dat een van haar belangrijkste werken is geworden. In september 1900 kreeg Julia een gouden medaille van de Rijksakademie voor het zittende meisje dat zij in Italië gemaakt had.

In Rome maakte Julia kennis met Oscar Mendlik (1871-1963), een Hongaarse schilder die eveneens een prijs gewonnen had en een atelier had in het Palazzo Venezia. En er ontstond een hechte vriendschap.
Oscar Mendlik reisde in 1900 met haar mee naar Nederland en het paar trouwde op 4 oktober van dat jaar in Amsterdam. Zij gingen daarna weer terug naar Rome om verder te werken. Vanaf dat moment zag Julia af van het jaargeld dat aan de Prix de Rome verbonden was. Dit ontsloeg haar ook van verplichtingen, zoals het insturen van werkstukken.

d. Zittend meisje, Rome, 1900.

Begin 1901 kwam het echtpaar voorgoed naar Nederland. Eerst vestigden zij zich in Scheveningen, waar hun zoon werd geboren. Vanwege gezondheidsproblemen richtte Julia zich in deze periode voornamelijk op schilderwerk. Na een zware operatie begon zij weer te boetseren en ging zij zich specialiseren in portretten onder andere van haar man Oscar Mendlik en van de chirurg prof. J. Rotgans. Zij maakte veel portretten van kinderen.
In 1904 kocht het echtpaar een perceel in Aerdenhout en liet daar een villa met twee ateliers bouwen, ontworpen door architect Johannes Hendrik Willem (Willem) Leliman (1878-1921). De villa kreeg de Hongaarse naam “Erdölak”, wat “Boshuis” betekent. (Tegenwoordig is er een kinderdagverblijf in gevestigd.)
Julia maakte zelf de versieringen aan de twee pilaren in de hal.
Dit huis werd een ontmoetingsplaats voor schilders, beeldhouwers en musici.
In 1922 boetseerde zij een rooster voor luchtverwarming dat in brons werd gegoten.
Zij exposeerde bij kunsthandel Wisselingh in Amsterdam (thans in Haarlem gevestigd), in het Frans Hals Museum en samen met haar man in Boedapest op uitnodiging van de Landes Kunst Verein.
Haar laatste portret was een reliëf van haar kleindochter Eva.

e. Versiering van de pilaren in de hal van “Erdölak”.

Na haar dood was er in 1937 nog een tentoonstelling van haar werk en dat van haar man in het Frans Hals Museum te Haarlem.
Zij exposeerde bij kunsthandel Wisselingh in Amsterdam (thans in Haarlem gevestigd), in het Frans Hals Museum en samen met haar man in Boedapest op uitnodiging van de Landes Kunst Verein.
Haar laatste portret was een reliëf van haar kleindochter Eva.
Na haar dood was er in 1937 nog een tentoonstelling van haar werk en dat van haar man in het Frans Hals Museum te Haarlem.

Bronnen:
• RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag;
• Noord-Hollands Archief, Haarlem;
• Bibliotheek en Prix de Rome-zaal in Rijksakademie van beeldende kunsten, Amsterdam;
• Voormalig woonhuis “Erdölak”, Aerdenhout.

Tekst: Detty Mol

Zijl, Lambertus

(Kralingen 1866 - 1947 Bussum)

a. Schaal: ‘De tocht naar het licht’, 1891; brons, ∅ 55.

Zijl, wiens vader als lagere ambtenaar bij de rijksoverheid werkte, kreeg zijn opleiding te Amsterdam aan de Quellinusschool (1880-83) en de Rijksschool voor Kunstnijverheid (1883-87), op welke laatste school hij bevriend raakte met o.a. Gerrit Dijsselhof, Joseph Mendes da Costa en Theo Nieuwenhuis. Onder de naam ‘Labor et Ars’ vormde hij met Dijsselhof, Mendes da Costa en Nieuwenhuis een klein clubje dat regelmatig bijeen kwam om over kunst te discussiëren (zie afb. 00). Al gauw raakte hij ook bevriend met C.A. Lion Cachet en kort daarop kwam hij via Dijsselhof in contact met Maurits van der Valk en de overige kunstenaars en schrijvers die deel uitmaakten van de kring van de Tachtigers. Ondertussen deed hij praktische ervaring op bij de steenhouwersfirma Van den Bossche & Crevels, waar vooral decoratieve sculptuur voor gebouwen werd gehakt. Na voltooiing van zijn opleiding startte Zijl met Mendes da Costa een eigen firma. In 1889 gingen ze samen naar Parijs om de Wereldtentoonstelling te bezoeken; ze troffen daar Dijsselhof en Nieuwenhuis, die mee hadden gewerkt aan de inrichting van het Nederlandse paviljoen, en raakten zeer onder indruk van het werk van Auguste Rodin, maar ook van de oude Egyptische en Assyrische beeldhouwkunst in het Louvre. In de winter van 1890/91 hadden ze in Amsterdam een tentoonstelling, waar hun werk de aandacht trok van H.P. Berlage, die er een lovende recensie over schreef.

b. ‘Indische tuin’ (reliëf uit het stoomschip ‘Melchior Treub’), 1913; brons, 97 x 78.

Belangrijke opdrachten bleven echter uit en daarom gingen Zijl en Mendes da Costa in 1892 weer uit elkaar; ze bleven overigens voor de rest van hun leven goede vrienden. Kort daarna werd Zijl door Berlage gevraagd beeldhouwwerk te leveren voor een door hem ontworpen kantoorgebouw, hetgeen het begin zou worden van een jarenlange samenwerking. Hoogtepunt van deze samenwerking werd het befaamde Beursgebouw in Amsterdam (gebouwd 1898-1903), waarvoor Zijl alle bouwsculptuur verzorgde. Hij ontwikkelde hier een strakke, gestileerde vormgeving, waarbij de beelden geheel zijn geïntegreerd in de gevels en niet buiten de muurvlakken uitsteken. Met deze aanpak trok hij veel aandacht als een vernieuwend en origineel beeldhouwer, die bereid èn in staat was zijn werk geheel aan de architectuur aan te passen.
Inmiddels was Zijl ook als ceramist actief. Samen met Chris van der Hoef, zijn assistent, was hij in 1898 door W.C. Hoeker gevraagd om aardewerk te gaan ontwerpen voor diens zojuist opgerichte fabriek ‘Amstelhoek’ en in 1900 kwamen hun eerste ceramische producten op de markt (zie afb. 00). Deze worden gekenmerkt door eenvoudige vormen en een sobere, gestileerde en vaak geheel abstracte decoratie, die vrijwel meteen de aandacht trok van alle in vernieuwing geïnteresseerde critici. Welke ontwerpen uit deze beginjaren van Zijl en welke van Van der Hoef zijn is overigens moeilijk vast te stellen, aangezien de objecten niet werden gesigneerd.

c. Spelende beren (model voor bekroning van trappenbaluster), ca, 1916; gips, hoogte 25.

In 1901 trok Zijl zich terug uit Amstelhoek om zich weer geheel op de beeldhouwkunst te concentreren. Behalve met Berlage ging hij nu ook samenwerken met Lion Cachet, die hem inschakelde bij de inrichting van het huis van het echtpaar Dentz van Schaick-Marloff. Kort daarop verruilde hij Amsterdam voor Bussum, niet ver van Lion Cachets woonplaats Vreeland, van waaruit hij betrokken werd bij het eerste van een reeks nieuwe grote projecten van zijn vriend: de inrichting van de (eerste-klasse) passagiersverblijven van enkele tientallen oceaanschepen voor de vaart naar en binnen Nederlands-Indië. Tot in de jaren ’30 zou hij een grote hoeveelheid decoratieve sculpturale onderdelen van die interieurs ontwerpen: wandpanelen, trapbekroningen, consoles, lichtornamenten etc. in hout, brons, marmer en nog allerlei andere materialen. Dit werk vertoont overigens lang niet zo’n strakke stilering als dat voor Berlage; Lion Cachet liet hem vrij om de plastische, enigszins impressionistisch aandoende stijl te volgen die zijn persoonlijke voorkeur had. Ook de sculpturen die hij af en toe uitvoerde voor andere architecten en interieurontwerpers, onder wie K.P.C. de Bazel, W. Kromhout en A.J. Kropholler, ogen veel vrijer en zelfstandiger dan die voor Berlage, voor wie hij trouwens na 1914 weinig meer heeft gedaan.

d. IJsbeer (ca. 1925/30), Staand meisje (1900), Staand jongetje (1900), Jongensbuste (ca, 1902); brons, hoogte 18, 17, 22 en 20.

Naast beeldhouwwerk voor gebouwen en interieurs heeft Zijl ook altijd kleinplastiek vervaardigd, voornamelijk in brons, waarmee hij veel succes heeft gehad. Tevens heeft hij enkele penningen en plaquettes gemaakt. Slechts éénmaal werd hij in de gelegenheid gesteld zelfstandig een groot, vrijstaand beeld uit te voeren: het monument voor koningin-moeder Emma, dat in 1938 in Amsterdam werd onthuld. Hoewel hij veel werk in dienst van anderen heeft gemaakt, geldt hij als een de belangrijkste en invloedrijkste beeldhouwers van zijn tijd, die samen met Mendes da Costa de Nederlandse beeldhouwkunst aan het begin van de 20ste eeuw wist te bevrijden van het academisch classicisme dat tot dan de toon aangaf.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

abcd. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel

Blommers, Bernardus Johannes

(Den Haag 1845 - 1914 Scheveningen)

Terugkeer van de vissersvloot (veiling New York (Christie’s), 27 januari 2010)

Bernardus Johannes Blommers werd geboren in Den Haag op 30 januari 1845 en werd opgeleid als lithograaf in de steendrukkerij van zijn vader. Van 1863 tot 1868 volgde Blommers lessen aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en ging in de leer bij Christoffel Bisschop (1828-1904), die zich had gespecialiseerd in het schilderen van genrestukken met Hindelooper interieurs. Na zijn academietijd ontmoette hij de Scheveningse Anna van der Toorn, die model stond voor enkele schilderijen. In 1869 portretteerde hij haar in Jonge Scheveningse en twee jaar later trouwden ze. Na het huwelijk verhuisde het echtpaar naar een hofje in de Jacob Catsstraat in Den Haag, waar Blommers een atelier aan huis had. In het atelier had de kunstenaar een Schevenings interieur ingericht, waar halverwege de jaren 1870 werken met als onderwerp moeder en kind ontstonden. Een van de mooiste schilderijen met dit onderwerp is Waar zijn de duifjes? uit 1875, dat positief werd ontvangen. Het tintelde van leven, het was onpretentieus en poëtisch, ongedwongen en bevallig. De uitdrukking dat Blommers’ werk ‘tintelde van leven’ kwam vanaf 1875 vaker voor in de kunstkritieken en deze ‘levensechtheid’ was dan ook een belangrijk element in zijn schilderijen.

Waar zijn de duifjes? (De Mesdag Collectie)

Zijn grootste artistieke succes beleefde Blommers tussen 1875 en 1890. Hij schilderde toen veel strandtaferelen, waaronder vissersvrouwen die de vis sorteren. Ook werd hij door de zeeschilder H.W. Mesdag (1831-1915) gevraagd een bijdrage te leveren aan het Panorama Mesdag. In deze periode was Blommers ook betrokken bij de oprichting van de Hollandsche Teekenmaatschappij. Eerder was hij bestuurslid van de Haagse kunstenaarsvereniging Pulchri Studio.

Hij bewoonde sinds 1881 een villa aan de Van Stolkweg vlakbij Scheveningen, maar doordat het vissersdorp Scheveningen, dat hij zo graag schilderde, veranderde in een mondaine badplaats vertrok hij omstreeks 1899 richting Katwijk. Omdat het Blommers er beviel, liet hij een tweede huis bouwen.

Jonge Scheveningse (Gemeentemuseum Den Haag)

Door Blommers’ succes groeide de belangstelling uit het buitenland, waardoor veel schilderijen naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië verdwenen. Maar met deze belangstelling groeide ook de kritiek. Zo schreef Albert Plasschaert:”Ik vrees inderdaad dat deze [kunstwerken] zijn made for America.” Samen met zijn vrouw reisde Blommers twee keer naar de Verenigde Staten, in 1904 en 1912. In 1912 bezocht het echtpaar New York, waar hun zoons woonden. Ongeveer twee jaar later overleed Blommers, een maand voor zijn zeventigste verjaardag, op 15 december 1914 in Scheveningen.

Tekst: Evelien de Visser

Zwollo sr., Frans

(Amsterdam 1872 - 1945 Amstelveen)

a. Wierookbrander (ca. 1920), bakje (ca. 1905), vaas (ca. 1915/10) en theedoosje (ca. 1900); verguld koper (de wierookbrander) en messing, hoogte vaas 20.

Net als zijn oudere broer Maarten, werd Zwollo door zijn vader met de eerste beginselen van het vak vertrouwd gemaakt. Daarna bezocht hij in Amsterdam de Teekensschool voor Kunstambachten en de Quellinusschool en leerde daarnaast in de praktijk ciseleren bij de edelsmid Frans Wildering. In 1888 stapte hij over naar de firma Bonebakker, waar zijn vader werkte. In 1892 vertrok hij naar Brussel waar hij korte tijd bij de firma Delheid Frères werkte en bezocht aansluitend Parijs. Na zijn terugkeer vestigde hij zich als zelfstandig edelsmid in Amsterdam, waar hij o.a. opdrachten voor Bonebakker uitvoerde. In 1895 trad hij samen met zijn broer Maarten in dienst bij de zilverfabriek van J.M. van Kempen & Zonen in Voorschoten, waar hij ciseleur werd, maar het jaar daarop ging hij weer zelfstandig in Amsterdam werken, waar hij behalve voor Bonebakker ook af en toe wat voor de firma Hoeker & Zoon deed. In 1897 werd hij benoemd tot docent metaalbewerking aan de Kunstnijverheidsschool in Haarlem. Hier raakte hij bevriend met mededocent K.P.C. de Bazel, die hem in aanraking bracht met de theosofie. Hij werd een overtuigd aanhanger van deze levensbeschouwing en volgde enige tijd de door De Bazel en diens vriend en compagnon J.L.M. Lauweriks opgezette Vahânacursus. Ook ging hij werken voor hun atelier voor interieurkunst, waaraan hij o.a. meubelbeslag leverde. In 1900 werden ze gedrieën medewerker van de coöperatieve interieurinrichtingsfirma ’t Binnenhuis, maar net als de meeste andere betrokken kunstenaars verlieten ze deze firma alweer in 1901.

b. Sierschotel en flesvormige vaas, 1915 ven ca. 1920; gehamerd messing, ∅ 26 en gehamerd tombak met zilveren randje, hoogte 31,5 (de vaas geschenk van de Stichting Beringer-Hazewinkel).

In 1902 had Zwollo voor het eerst internationaal succes; hij won een gouden medaille met een zilveren fruitschaal op de belangrijke ‘Eerste Internationale Tentoonstelling voor Decoratieve Kunst’ in Turijn. Het aantal opdrachten nam hierna snel toe en daarom nam hij in 1907 ontslag als leraar in Haarlem. Toch ging hij in 1910 alweer in op het aanbod van Lauweriks om onder diens leiding in Hagen (Duitsland) les te komen geven aan een nieuw opleidingsinstituut voor de bijscholing van teken- en handvaardigheidsdocenten. Zijn beslissing zal ongetwijfeld positief beïnvloed zijn door het feit dat hij tevens chef van de werkplaats van de ‘Hagener Silberschmiede’ kon worden (waarvan Lauweriks artistiek leider werd; zie ook afb. 00). Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog duurde Zwollo’s verblijf in Hagen echter korter dan bedoeld. Hij keerde in 1914 terug naar Nederland, waar hij docent werd aan de academie in Den Haag, die met ingang van dat jaar een afdeling voor kunstnijverheid kreeg. Aan deze academie zou hij tot 1931 verbonden blijven (en er o.a. Willem Valk en zijn zoon Frans jr. opleiden). Daarnaast werd hij in Den Haag lid van Arti et Industria en opende er een eigen atelier, waar Frans jr. hem ging assisteren. Hier voerde hij o.a. meerdere opdrachten voor Hélène Kröller-Müller uit. In 1925 kreeg hij opnieuw een gouden medaille, nu voor zijn inzending naar de spraakmakende ‘Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes’ te Parijs. In 1935 nam hij tenslotte voor de laatste maal een docentschap aan, zij het slechts voor korte tijd, aan de Vakschool voor Goud- en Zilversmeden in Schoonhoven. Na zijn pensionering ging hij in 1937 in Amstelveen wonen, waar hij niet veel belangrijks meer heeft gemaakt.
Zwollo, die een omvangrijk oeuvre van vooral kleinere sier- en gebruiksvoorwerpen heeft nagelaten, is onbetwist een van de meest vooraanstaande Nederlandse edelsmeden en metaalontwerpers van zijn tijd geweest. Samen met Jan Eisenloeffel (die hij goed kende, o.a. via de VANK waarvan hij vanaf de oprichting in 1904 lid was) heeft hij grote invloed uitgeoefend op de metaalkunst uit het begin van de 20ste eeuw. Terwijl Eisenloeffel vooral bekend is geworden door de soberheid van zijn ontwerpen, heeft Zwollo het decoratieve element in zijn vormgeving nooit zo streng onderdrukt. Zijn ornamentiek, die in het begin vaak aan de natuur ontleend was maar na ca. 1910 een steeds abstracter karakter kreeg, is echter altijd in de totale vorm geïntegreerd en daarmee is zijn werk in wezen net zo vernieuwend als dat van zijn collega.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ab. JAV Studio’s, Assen

Methorst, Hendrik

(Utrecht 1896 – 1969 Zeist)

a. Broche gehamerd koper, ca. 1920-1930, 7,5 x 5,5 (foto Olga Harmsen).

Hendrik Methorst wordt in 1896 geboren in Utrecht. In 1910 gaat hij in de leer bij zilverfabriek Begeer. In 1920 begint hij voor zichzelf en opent een eigen atelier in Utrecht. Hij houdt zich vooral bezig met metaalwerk in de stijl van de Amsterdamse School, onder andere sieraden, klokken, lampen en gebruiksvoorwerpen. Hij voert vooral werk uit voor de fabriek van Begeer en voor de kunstenaar Cris Agterberg (1883-1948). In 1924 loopt de samenwerking met Cris Agterberg na een plagiaatkwestie ten einde.

b. Ontwerp tafelbel, 1927, 14 x 9,5.

Agterberg zou een tabakspot die door Methorst was ontworpen en uitgevoerd onder zijn eigen naam hebben verkocht. Het gaat in deze periode goed met de zaak van Methorst: hij staat op veel tentoonstellingen met grote namen. Zo exposeert hij in 1924 op de “Tentoonstelling van kunstnijverheid te Utrecht” met onder andere Karel de Bazel, Cris Agterberg, Jan Eisenlöffel en Gerrit Rietveld. De samenwerking met Begeer loopt nog door tot ver in de jaren ’30. In 1921 trouwt Methorst met Anna Geertruida Klein Sprokkelhorst. Ze krijgen drie kinderen: Dick, Martha en Elly.

c. Boekensteunen gehamerd koper met bloedkoraal, ca. 1920-1930, 14 x 12 x 7,5.

In 1925 verhuist het atelier van Methorst naar Zeist. Het atelier wordt omgedoopt tot “De Klop”, omdat Methorst het metaalwerk in het atelier “klopte” wat natuurlijk ook het nodige lawaai maakt. Methorst staat in de buurt door dit lawaai bekend als “de Klopgeest”. In de jaren ’30 richt Methorst zich steeds meer op het maken en verkopen van meubels. In 1934 verhuist De Klop naar de huidige locatie aan de Slotlaan.

d. Tabakspot gehamerd koper, ca. 1920-1930, 21 x 14.

Methorst raakt ook betrokken bij de politiek: tussen 1939 en 1941 zit hij in de gemeenteraad van Zeist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Methorst betrokken bij het Zeister verzet. Vanuit De Klop worden onder andere verzetskranten verspreid en er wordt voedsel ingezameld voor onderduikers en arme mensen. Na de oorlog gaat Methorst terug de politiek in, eerst als raadslid voor de PvdA en van 1962 tot 1966 als wethouder en locoburgemeester. Na de oorlog verandert De Klop in een Goed Wonen-zaak die uiteindelijk door zijn zoon Dick Methorst wordt overgenomen. Methorst overlijdt op 10 januari 1969 in Zeist.

e. Zilveren gehamerde broche vissen met halfedelsteen, ca. 1920-1930, 6 x 4 (foto Olga Harmsen).

Tekst: Lasse van den Dikkenberg

Hulshoff Pol, Albert

(Hengelo 1883 - 1957 Hilversum)

Watermolen Oele

De schilder Albertus Gerhard Hulshoff Pol werd in 1883 in Hengelo geboren in een textielfabrikantengezin. Als kind al trok hij de natuur in om te tekenen. Na de driejarige H.B.S. volgde hij op aandringen van zijn vader een bankiersopleiding aan de handelsschool in Utrecht. Zelf wilde hij liever kunstschilder worden; daarom vertrok hij naar Amsterdam om les te nemen bij de van oorsprong Almelose kunstschilder A.M. Gorter, die hij waarschijnlijk al eerder kende. Zijn werk doet aan dat van Gorter denken. Ook bezocht hij korte tijd de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zijn leermeesters daar waren C.L. Dake en H.J. Wolter.

Molenven Saasveld

Bij de kunstenaarsvereniging Sint Lucas ontmoette Albert de 11 jaar oudere schilder Piet Mondriaan. Samen trokken ze erop uit in de omgeving van Amsterdam en samen schilderden ze rondom Hengelo (1906-1908). Hun onderwerpen in Twente zijn onder andere het Molenven bij Saasveld en de Watermolen bij Oele. De vader van Hulshoff Pol bezat daar een landgoed met een boerderij ‘De Waarbeek’. Daar logeerden de beide kunstenaars en Hulshoff Pol maakte er een schilderij van.

Albert Hulshoff Pol met vrouw en dochter.

Wat de twee bond was een zoektocht naar het beleven van de natuur en hoe dat te vertalen in kunst. In de jaren met Albert Hulshoff Pol gaat Mondriaan steeds meer vereenvoudigen, steeds meer symbolisch schilderen, steeds meer de essentie proberen te pakken. Hulshoff Pol probeert dat ook, soms, maar voor hem gaat het er meer om de sfeer van het landschap te pakken, in een min of meer romantisch-impressionistische trant.
In 1918 trouwde Hulshoff Pol met Arnolda Sonderman. Het stel gaat in Hilversum wonen. Daar wordt dochter Arnolda geboren. En daar zal Albert overlijden in 1957.

Loosdrechtse plassen

Niet Twente is in de tweede helft van zijn leven de inspiratiebron van Hulshoff Pol, maar het veenlandschap bij Hilversum: de plassen, de sloten, het wilgenstruweel, de rietkragen en de wind. Kenmerkend voor zijn beste doeken zijn ‘een breed gebaar, een krachtige zwaai, vlug en jachtig’. Met een groep Gooise medeschilders zet hij zich af tegen de toenemende oppervlakkigheid binnen de ‘Larense School’. Het gaat hem niet om het mooie plaatje, maar om het gevoel erachter. Behalve landschappen schilderde, tekende en etste hij interieurs, suikerfabrieken, portretten, bloemen en stillevens. Voor de Universiteit van Utrecht maakte hij portretten van de hoogleraren Moll en Ornstein.

Vestinggracht Muiden

Hulshoff Pol was (bestuurs-) lid van diverse schilder genootschappen, onder andere Arti et Amicitiae en St Lucas in Amsterdam. Zo sprak hij zijn kunstbroeders en kon hij regelmatig exposeren in het Stedelijk Museum, waar destijds de kunstenaarsverenigingen (verkoop)exposities hielden. Regelmatig had hij zitting in een jury voor te houden tentoonstellingen. Eén van zijn leerlingen is de kunstschilder Jan van Rijlaarsdam.
Albert Hulshoff Pol kreeg de gouden medaille van Koningin Wilhelmina en de Willink van Collenprijs van Arti et Amicitiae. Werk van hem is onder andere opgenomen in de Rijkscollectie, het Centraal Museum Utrecht, het Singer Museum in Laren en het Goois Museum in Hilversum. Koningin Wilhelmina kocht meerdere schilderijen van Albert Hulshoff Pol.

Albert Hulshoff Pol wordt vermeld in de lexica van Mak van Waay (1870-1940) en  Pieter A. Scheen (1750-1950). Er is een hoofdstuk aan hem gewijd in: H.H. van Calker, Schilders van heden en morgen. Deel I. In het atelier van den schilder, Amsterdam z.j.

Klinkenberg, Samuel

(Sybrandaburen (Fr.) 1881 - 1970 Wageningen)

Sam Klinkenberg in zijn atelier (1914). Linksachter de UHU die ooit werd gekocht door Koningin Wilhelmina.

Klinkenberg, opgegroeid in een domineesgezin, ging op 16-jarige leeftijd naar de ambachtsschool in Leiden. De Vereniging De Practische Ambachtschool reikte hem in 1899 met lof het diploma uit voor het vak van meubelmaker. Bij het Genootschap Mathesis Scientiarum Genitrix volgde hij lessen in theoretische bètavakken en werktuigkunde. Hij behaalde het vakdiploma bouwkunde in 1898. Tijdens deze studies ontwikkelde hij bovendien een opvallend talent voor het vrije handtekenen, wat zijn verdere loopbaan zou bepalen. Aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten te Den Haag vervolgde hij daarom zijn studie met de opleiding voor tekenleraar. Zijn eerste aanstelling kreeg hij te Vlissingen en vervolgens werkte hij in Brielle. In 1911 werd hij benoemd aan de HBS te Haarlem. Hij volgde daar Hildo Krop op. In 1943 ging hij met pensioen.

Naast het lesgeven breidde hij zijn vaardigheden als kunstenaar uit met beeldhouwen. In zijn vrije tijd kon men hem in de Amsterdamse Artis zien tekenen en boetseren; hij had daar een plek gekregen waar hij zijn materiaal kon opslaan. De waardering voor zijn werk door de beheerders van Artis leidde ertoe dat hij meewerkte aan het grafmonument voor directeur dr. C. Kerbert, dat later verplaatst werd naar de dierentuin.

Dieren waren Klinkenbergs favoriete modellen. Hij werd een erkend specialist in dierplastieken, vervaardigd in allerhande inlandse en tropische houtsoorten en in ivoor. Veel van zijn ontwerpen zijn in brons gegoten. Ook maakte hij kinderportretten in reliëf en plaquettes in brons. Aan het einde van zijn carriëre sneed hij cameeën uit enorme West-Indische schelpen (strombus gigas), die veel mensen toen gebruikten als decoratie in tuinen. De sieraden uit schelp werden in goud of zilver gevat. Grotere exemplaren stonden op hardhouten voetstukken. Een kistje opgebouwd uit in ivoor gesneden waterdieren met door hem ontworpen beslag van pijlkruid in zilver vormt een topstuk in zijn collectie.

De eerste exposities van zijn werk waren in 1913, in een groepstentoonstelling van de kunstenaarsvereniging Kunst Zij Ons Doel in Haarlem en op de Vierjaarlijkse Tentoonstelling van Kunstwerken van Levende Meesters in Arnhem. Klinkenberg was lid van verschillende kunstenaarsverenigingen zoals Arti et Amicitiae, St. Lucas, de Haagse Kunstkring en de Nederlandse Kring van Beeldhouwers; van de laatste was hij medeoprichter en ook enkele perioden bestuurslid. Hij sloeg geen enkele expositie over. Na de Tweede Wereldoorlog heeft hij nog enkele malen geëxposeerd in Wageningen. Voor de leden van Pictura Veluvensis in Wageningen hield hij af en toe een lezing over beeldhouwkunst. Er zijn lezingen bewaard gebleven, naast studieschetsen en gereedschap voor het bewerken van ivoor en schelp. Klinkenberg kon goed fotograferen en zijn nagelaten archief bevat eigen foto’s van al zijn beeldhouwwerk.

In 1945 ontving hij, op de tentoonstelling “Kunst in vrijheid” in het Rijksmuseum, met alle mede-exposanten de Gerrit van der Veen Verzetspenning, ontworpen door Hildo Krop.

Zwollo, Maarten

(Amsterdam 1863 - 1928 Zoetermeer of Leiden)

a. Portretkop van Jac. Van den Bosch, ca. 1925; gips, hoogte 40.

Zwollo was de oudste van vier broers, van wie er drie net als hun vader in de edelsmeedindustrie zouden gaan werken, maar van wie alleen Frans bekendheid heeft verworven. De vierde broer werd lithograaf. Vermoedelijk kreeg Zwollo zijn eerste teken- en boetseerlessen van zijn vader, die chef van het atelier van de gerenommeerde Amsterdamse juweliersfirma Bonebakker was. Van 1880 tot 1884 bezocht hij de Rijksakademie, waar hij o.a. les in boetseren kreeg van Franz Stracké (1849-1919), en van 1885 tot 1889 de Rijksschool voor Kunstnijverheid, waar hij decoratief beeldhouwen leerde van L. Jünger (1856-1914?). Daarna moet hij op freelance-basis voor Bonebakker en Begeer gewerkt hebben om rond 1895 als modelleur in dienst te treden bij de zilverfabriek van J.M. van Kempen & Zonen in Voorschoten. Hier modelleerde hij vooral grotere stukken en plaquettes en penningen. Ook na de fusie van Van Kempen met de firma’s Begeer en Vos in 1919 is hij nog enige tijd in de fabriek in Voorschoten werkzaam gebleven, maar in 1923 vestigde hij zich als zelfstandig edelsmid in Leiden. Het enige architecturale werk dat van hem bekend is, is het beeldhouwwerk uit 1926 aan de gevel en in het interieur van het raadhuis van Voorschoten. Zelfstandig, ‘vrij’ beeldhouwwerk schijnt hij nauwelijks gemaakt te hebben, op enkele portretten van familieleden na. Daaronder bevinden zich een kop en een portretreliëf van zijn zwager Jac. van den Bosch, die directeur was van de bekende interieurinrichtingsfirma ’t Binnenhuis. Verder heeft hij in 1925 de bronzen plaquette vervaardigd, die Van den Bosch kreeg aangeboden ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van deze firma.

b. Gedenkplaquette voor ’t Binnenhuis, 1925; brons, 19,5 x 26.

De weinige sculpturen die van Zwollo bekend zijn, laten zien dat hij een bekwaam beeldhouwer is geweest, die zijn modellen goed gelijkend weer wist te geven. Hij was lid van de Leidse verenigingen ‘De Kunst om De Kunst’ en ‘De Sphinx’, waarmee hij een enkele maal heeft geëxposeerd, maar verder is hij zelden naar buiten getreden. Hoewel hij leerling van de Rijksakademie was geweest, waar de opleiding primair gericht was op het ‘vrije’ kunstenaarschap, was hij er kennelijk tevreden mee in de anonimiteit van een groot bedrijf op te gaan.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ab. JAV Studio’s, Assen

Wall Perné, Gustaaf Frederik (Gust) Van De

(Apeldoorn 1877 - 1911 Amsterdam)

Illustratie bij het zelfgeschreven sprookje De Kolenbrander en de Reus, 1908, aquarel, collectie Drents Museum.

Liefde voor kunst en natuur waren al op jonge leeftijd aanwezig bij Gust van de Wall Perné. Hij struinde rond over de Veluwe en hoorde er de volksverhalen die hij later zou optekenen. In zijn geboorteplaats Apeldoorn discussieerde hij met kunstenaarsechtpaar Chris en Agathe Wegerif over de Nieuwe Kunst. Na het afronden van een opleiding aan de Rijksnormaalschool voor tekenonderwijzers te Amsterdam in 1897 werkte hij als ontwerper voor de meubel- en batikateliers van de Wegerifs in Apeldoorn. De producten die volgens de principes van de Nieuwe Kunst gemaakt werden, verkocht men bij de Haagse kunsthandel Arts and Crafts.
Vanaf 1899 woonde en werkte Van de Wall Perné samen met zijn vrouw Eugénie van Vooren (1873-1958) in Amsterdam.

Bandontwerp voor: P.H. Hugenholtz, Levenslicht: Stichtelijke bloemlezing voor onzen tijd, Amsterdam (Van Holkema & Warendorf) 1901.

Hij ontwierp een groot aantal boekbanden en illustraties in opdracht van boekdrukkerij J.H. de Bussy & Co., waaronder twee huldeblijkalbums voor het huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik. Vanaf 1904 werkte Van de Wall Perné als docent kostuumkunde aan de Toneelschool en ging hij zich eveneens bezig houden met reformkleding en weefkunst. Zijn ontwerpen werden uitgevoerd en gedragen door zijn echtgenote.

Elke zomer verbleef het echtpaar Van de Wall Perné in hun eigen ontworpen atelierwoning in Hoog Soeren. De natuur en volksverhalen van de Veluwe dienden als onderwerp voor de vele schilderijen en tekeningen die de kunstenaar maakte, meestal landschappen met een symbolistische ondertoon.

Landschap met lelie en ster, ca. 1909, olieverf op paneel, 72 x 16 cm, collectie Stedelijk Museum Amsterdam.

Het werk werd voornamelijk tentoongesteld bij kunstenaarsvereniging Sint Lucas, waar Van de Wall Perné bestuurslid was. Hij had er contact met Piet Mondriaan en zij spraken over het feit dat kunst abstracter zou moeten worden om een diepere, spirituele werkelijkheid te laten zien. Met andere gelijkgestemden richtte Van de Wall Perné in 1911 de Vereniging van Kunstenaren der Idee op. In 1909 verscheen de eerste bundel Veluwsche sagen die de kunstenaar schreef en van illustraties voorzag. Geheel in deze lijn illustreerde hij in 1911 een Nederlandse uitgave van De Edda. Een tweede bundel Veluwsche sagen zou een jaar na zijn dood verschijnen.
Van de Wall Perné stierf op 27 december 1911 aan de gevolgen van een loodvergiftiging.

Mystieke paden, 1907, olieverf op doek, 129 x 177 cm, collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Zijn kunst was nog volop in ontwikkeling. In zijn korte kunstenaarsbestaan had hij zich op verschillende vlakken weten te ontwikkelen als een man van zijn tijd met eigen idealen. Hij behoorde tot de kunstenaars rond 1900 die zich niet beperkten tot de schilderkunst maar binnen allerlei disciplines van zich lieten horen. Werken van hem bevinden zich vandaag de dag onder andere in de collecties van het Rijksmuseum Amsterdam, het Stedelijk Museum Amsterdam, CODA Museum Apeldoorn en het Drents Museum. De Veluwsche Sagen zijn vele malen opnieuw uitgegeven.

Tekst: Annemiek Rens