Hondius–Crone, Ada Helena (Ada)[i]

(Amsterdam 28 september 1893 – 2 januari 1996 Voorschoten)

Portretfoto van Ada Crone door Jacob Merkelbach.

Van Ada Crone zijn 43 werken op papier in de collectie van het Drents Museum vertegenwoordigd. De verzameling bevat verschillende etsen, oefeningen en studies van ornamentfiguren. In de jaren tachtig heeft Crone veel van haar bezittingen aan verschillende musea en archieven geschonken. Het Nederlands Documentatiecentrum voor de Bouwkunst, het huidige Nieuwe Instituut te Rotterdam, heeft bijvoorbeeld stukken ontvangen die betrekking hebben tot haar opleiding aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus in de periode 1915-18. De collectie in het bezit van het Drents Museum bevat studies net na deze periode. Naar aanleiding van het archiefonderzoek dat voor deze biografie ten grondslag lag, kan worden vastgesteld dat Crone zelf geen actief beeldend kunstenares was. Wel hebben de kunsten een dominante rol gespeeld tijdens haar leven.

Ada Crone, dochter van Eduard Henrich Crone (1852-1918) en Helena Rebecca Ernestine Muller (1862-1945), groeide samen met twee broers op in Amsterdam. Haar vader was een vooraanstaande koopman, bij onder andere de firma H.G. Th. Crone, een handelsonderneming die landbouwproducten uit Nederlands-Indië importeerde en luxe goederen exporteerde. De liefde voor kunst werd haar met de paplepel ingegoten. Haar ouders waren actieve kunstverzamelaars, met nadruk op de Haagse School.[ii]

In 1912 vertrok Ada naar Zwitserland voor een studie aan de universiteit van Port de Cully. Hier ontmoette ze de Duitse advocaat Carl Julius Leopold Müseler (1886-1915). Op 20-jarige leeftijd trad ze met hem in het huwelijk en verhuisde naar Berlijn. Onder de huwelijksgasten bevonden zich de kunstverzamelaar Frits Lugt en zijn vrouw Jo. Lang kon Ada niet van haar huwelijk genieten, Müseler werd opgeroepen als cavalerist tijdens de Eerste Wereldoorlog en sneuvelde in mei 1915.

Voorbeeld van Ada’s werk op de Kunstnijverheidsschool.

Met een gebroken hart verhuisde Ada terug naar haar ouders in Amsterdam. Ze startte een opleiding aan de Quellinus school voor Kunstnijverheid en behaalde haar getuigschrift voor interieurtekenen. Hier sloot ze vriendschappen met kunstenaars, zoals met haar leraar de emailbewerker en sierkunstenaar Jan Eisenloeffel.[iii] In 1918 begon ze haar kennis over kunstnijverheid in te zetten voor de Maatschappij van Nijverheid te Haarlem. De Amsterdamse advocaat August Eduard Dimitri von Saher (1890-1973) vroeg haar zitting te nemen in het bestuur.[iv]

Ada sloot vriendschap met de jonge weduwnaar Von Saher en ontfermde zich over zijn pasgeboren zoon Eddie.[v] Op 1 juli 1919 traden ze, met toestemming van Ada’s moeder, in het huwelijk. Ze kregen drie kinderen, twee zoons Ferdinand (1920-1975) en Herbert (1923-2016) en een dochter Wetka (1926). Regelmatig vergezelde Ada haar man tijdens zijn handelsreizen en maakten ze vele culturele reizen naar Parijs en Londen waar ze theatervoorstellingen en modehuizen bezochten.

Beiden waren zeer geïnteresseerd in kunst en ze sloten vriendschappen met kunstenaars als Wim Schuhmacher, John Raedecker, Paul Citroen, Hildo Krop en Hen Henriët. Vooral het werk van Hildo Krop had Ada zeer lief. Net voor hun huwelijk schreef Ada aan haar verloofde:  “Ik denk ook nog eens rustig over deze avond na. Ons bezoek aan Hildo Krop was heel bijzonder prettig en de aankopen van de twee stukken buitengewoon naar mijn zin. Je weet niet hoe blij je me maakt met dat steenen beeldje.”[vi] Toen Eddie op 12 maart 1924 overleed gaf het echtpaar Hildo Krop de opdracht om een urnenmonument voor de familie Von Saher te ontwerpen. Ook de woon- en eetkamer werden met de meubels van de kunstenaar ingericht.[vii]

Het huwelijk tussen Von Saher en Ada strandde in 1929. Zij bleef met de kinderen in hun huis aan de Oranje Nassaulaan 10 te Amsterdam wonen en hij vertrok naar Berlijn. In haar tuin had ze eerder in 1924 door de architect C.J. Blaauw een tuinhuis in Amsterdamse School-stijl laten bouwen. Ze vroeg een vergunning aan voor het oprichten van een voorbereidende school. Twee jaar lang kregen haar kinderen samen met nog een kleine groep kinderen woonachtig in de buurt, hier les volgens de methode van Maria Montessori. Later werd het tuinhuis ook gebruikt als marionettenklas onder leiding van de vermaarde poppenspeelster Grietje Kots.

Ada zette zich van jongs af aan actief in voor de vrouwenbeweging en de vredesbeweging en interesseerde zich in geschiedenis, kunst, archeologie en oude en moderne talen. In 1934 schreef ze zich in aan de Universiteit Leiden voor het vak Cultuurgeschiedenis van de Middeleeuwen van Professor Johan Huizinga. In deze periode had ze problemen met de opvoeding van haar zoon Ferdinand en was genoodzaakt hem in het Kennemer Tehuis voor Jongens te plaatsen.[viii] Hier ontmoette ze de directeur Johannes Magdalenus Pzn. Hondius. Op 12 augustus 1935 traden ze in het huwelijk en verhuisden ze met het gezin naar Bloemendaal.

Portret van mevrouw Hondius-Crone en haar kinderen, Toni Arens Tepe, 1935.

Samen met Hondius organiseerde ze in de periode 1937-1940 vele muzikale avonden en lezingen van bevriende professoren bij hun thuis. Ook steunden ze verschillende kunstenaars, waaronder de architect P.H. Endt die in 1935 geen toelage meer ontving van de Rijksbeurzencommissie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest het gezin de woning in Bloemendaal verlaten en verhuisden ze naar Amsterdam. Ada interesseerde zich steeds meer voor archeologie en begon een onderzoek naar de Tempel van Nehalennia te Domburg, wat in 1955 uitmondde tot een belangwekkende publicatie.

In 1977 overleed Hondius en liet hij de 84-jarige Ada alleen achter. In 1984 besloot ze naar een verzorgingshuis te Voorschoten te gaan. Met de hulp van haar dochter schikte ze al haar bezittingen en verdeelde deze onder verschillende archieven en musea. Zo zijn er designer jurken van Paul Poiret terecht gekomen in de collectie van het Haags Gemeentemuseum, haar Hildo Krop woonkamer in het Rijksmuseum en correspondentie in het Vrouweninstituut Atria. Ada Crone werd 102 jaar oud.

[i] De auteur wil graag Gilles Hondius, president van de Fundatio Hondius familiestichting bedanken. Hij attendeerde haar op de In Memoriam voor Ada Helena Hondius-Crone door Herbert von Saher, Bob Crone en Adger Hondius, gepubliceerd in het 45e jaarverslag van de Fundatio Hondius.

[ii] De collectie was geruime tijd in bruikleen ondergebracht bij het Gemeente Museum Den Haag en werd in 1963 met de steun van de Vereniging Rembrandt door het museum aangekocht.

[iii] Herbert von Saher. ‘In Memoriam Ada Helena Hondius-Crone.’ Fundatio Hondius, 45e jaarverslag, 1996, p. 8.

[iv] De correspondentie tussen Ada Crone en August von Saher bevindt zich in Atria, het Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis te Amsterdam.

[v] Zijn moeder Wilhelmina Geesje Scheer sterft op 9 maart 1917 in haar kraambed.

[vi] Brief van Ada aan ‘Aus’, 26 juni 1919, Atria.

[vii] De woonkamer kwam in 1983 terecht in het Rijksmuseum en de eetkamer werd onderdeel van de collectie van het Amsterdam Historisch Museum.

[viii] Von Saher. ‘In Memoriam.’ 1996, p. 10.

Auteur: Sylvia Alting van Geusau