Visser, Tjipke

(Workum 1876 - 1955 Bergen)

a. Portret van de dirigent C. van der Linden, 1909; ebbenhout in eikenhouten lijst, 62,5 x 51,5 (totaal).

Visser, die afkomstig was uit een gegoede Friese koopmansfamilie, kreeg zijn opleiding aan de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers en behaalde in 1899 de MO-akte. Ondertussen volgde hij ’s avonds de boetseerlessen van Joseph Mendes da Costa aan de Industrieschool van de Maatschappij voor den Werkende Stand, waarna hij ook nog enige tijd de avondcursus van de Rijksakademie volgde. In 1900 verbleef hij meerdere maanden in Parijs. Na terugkeer in Nederland werd hij tekenleraar aan de gemeentelijke (avond)tekenschool van Edam. Overdag ging hij dikwijls naar het nabijgelegen Volendam, welk dorp door zijn schilderachtigheid rond 1900 zeer in trek was bij kunstenaars. Hier sneed hij uit hout kleine beeldjes van de vissers en hun vrouwen in hun karakteristieke klederdracht. Daarmee had hij al snel zoveel succes, dat hij zijn leraarsbaan eraan durfde te geven en in 1908 naar Bergen verhuisde, dat in deze periode als woonplaats in trek begon te komen bij kunstenaars. Omdat hij ook in brons wilde gaan werken, trok hij in de winter van 1908/09 opnieuw naar Parijs om daar te werken in een grote bronsgieterij.

b. Gier (uitvoering J.M. van Kempen & Zonen), 1918; zilver, 20,5 x 27.

In de jaren die volgden perfectioneerde Visser zijn technische vaardigheid steeds verder. Naast menselijke figuren en portretten ging hij nu ook veel dieren weergegeven. Hij bleef zich vooral toeleggen op kleinplastiek, zowel in hout als brons (maar af en toe ook in zilver), die geregeld werd afgewisseld met portretopdrachten. In 1915 won hij een prijs uit het Willink van Collen-fonds. Rond deze tijd begon hij ook ceramische beeldjes te ontwerpen, die hij in eigen beheer in kleine series uitvoerde. Een paar ontwerpen zouden in de jaren ’20 in een grotere oplage bij de ceramiekfabriek Zuid-Holland in Gouda worden geproduceerd. Daarnaast heeft hij verschillende malen op een wat groter formaat in steen gewerkt. Hij vervaardigde o.a. enkele grafstenen, een aantal grote reliëfs, een drietal monumentale banken en twee vrijstaande gedenktekens: het monument voor de socialistische voorman P.J. Troelstra in Stiens en het monument voor de dichter C.S. Adama van Scheltema in Amsterdam (beide 1933). Ook vervaardigde hij enkele keren bouwsculptuur, waaronder een viertal dierfiguren voor het raadhuis van Grouw (voltooid 1942). Zijn laatste project van grotere omvang was een doopvont en een serie houten beeldjes op de koorbanken in de Gertrudiskerk in Workum, die echter pas na zijn dood zijn geplaatst. Vissers oeuvre wordt gekenmerkt door een strakke, lineaire stilering, die vaak duidelijk laat merken dat hij leerling van Mendes da Costa is geweest. Wat hem echter een geheel eigen plaats in de Nederlandse beeldhouwkunst van zijn tijd heeft gegeven is zijn gevoel voor de decoratieve waarde van het materiaal, waarmee hij in zijn vormgeving altijd op uiterst subtiele wijze rekening heeft gehouden.
Visser is eveneens op organisatorisch gebied actief geweest. Hij was in 1918 een van de initiatiefnemers tot de oprichting van de Nederlandsche Kring van Beeldhouwers, waarvan hij tot 1920 voorzitter was, maar ook daarna een actief lid bleef. Via de Kring heeft hij lang geijverd voor een betere sociale en economische positie van beeldhouwers, ook al heeft hijzelf in dit opzicht nooit veel te klagen gehad.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.