Verstijnen, Henri Cornelis Gerard Maria (Henri)

(Soekaboemi 1882 - 1940 Den Haag)

a. Harpij, ca. 1920/25; olieverf op karton, 63,5 x 48,5.

Verstijnen, wiens vader ingenieur was, volgde tussen 1898 en 1900 de lessen aan de academie van het Genootschap ‘Kunstoefening’ in Arnhem, waar zijn ouders na terugkeer uit Nederlands-Indië in 1894 waren gaan wonen. In 1900 trad hij voor enkele jaren als plateelschilder in dienst bij de ceramiekfabriek Zuid-Holland in Gouda. Daarna maakte hij een lange reis door Duitsland, Oostenrijk en Bohemen en werkte onder meer enige tijd voor de glas- en ceramiekfabriek van Ernst Wahliss en de metaalwarenfabriek van Balduin Heller & Söhne, beide in Teplitz (Bohemen). Na zijn terugkeer naar Nederland in 1906 werd hij in Maastricht schilder en ontwerper van ceramiekdecors bij de Société Céramique. In zijn eigen tijd begon hij nu dieren te tekenen en te schilderen. In deze periode raakte hij ook geïnteresseerd in de theosofie en hij zou in 1916 de eerste prijs winnen in een prijsvraag voor een omslag voor het tijdschrift Theosophia.

b. ‘Het nobele drietal: Leugen – Domheid – Hebzucht (tijger – os – nimmerzatvogel)’, 1923; potlood en zwart krijt, 19,5 x 30,5 (tekening voor spotprent in De Groene Amsterdammer van 1 december 1923).

Inmiddels was hij in 1914 gaan meewerken aan het net opgerichte weekblad De Nieuwe Amsterdammer, waarvoor hij samen met o.a. Jan Sluijters en Piet van der Hem (1885-1961) spotprenten ging tekenen. In deze prenten, waarvan een aantal in 1915 werd gebundeld onder de titel Satyrieke Dierstudies, werden actuele gebeurtenissen en situaties door als mensen verklede dieren belachelijk gemaakt. In 1918 stapte hij over naar De [Groene] Amsterdammer, waaraan hij tot in de jaren ’30 zou meewerken. Bij dit laatste blad werkte hij nauw samen met Charivarius (pseudoniem van G.J. Nolst Trenité, 1870-1946), die zijn prenten van toepasselijke rijmpjes voorzag. Een selectie daaruit werd in 1926 gebundeld onder de titel Onze Evendieren.
Ondertussen woonde Verstijnen vanaf 1918 in Den Haag, waar hij lid was van Pulchri Studio, de Haagsche Kunstkring en de Nederlandsche Kunstkring. Bij deze verenigingen exposeerde hij regelmatig zijn schilderijen en aquarellen van dieren (vooral vogels en vissen), die gekenmerkt worden door een sierlijke, kleurige stijl, die voortborduurt op de Art Nouveau. Hij ging nu ook experimenteren met verschillende grafische technieken en ontwikkelde daarbij een eigen grafisch procédé, ‘grafico’ genaamd, waarmee hij heel aparte kleureffecten wist te bereiken.

c. Blad uit kalender voor 1931; litho, 35 x 22,5.

Het is wel eens omschreven als een ‘soort mengvorm van litho en ets’, maar hij heeft nooit opgetekend hoe hij precies te werk ging. Daarnaast was hij actief als illustrator (o.a. van kinder- en schoolboekjes van verschillende uitgeverijen) en reclameontwerper, terwijl hij vanaf eind jaren ’20 een serie gelithografeerde kalenders heeft uitgegeven, ook weer met diertaferelen.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ac. JAV Studio’s, Assen
b. Fotodienst Provincie Drenthe