Konijnenburg, Willem Adriaan (Willem) van

(Den Haag 1868 - 1943 Den Haag)

a. Zelfportret met ringbaard, 1886; olieverf op doek, 45 x 32.

Van Konijnenburg, wiens vader hoofdinspecteur der belastingen was, kreeg zijn eerste tekenlessen van zijn moeder, een uit Limburg afkomstige jonkvrouw die een begaafd (amateur)tekenares was. Na enkele jaren gymnasium nam hij anderhalf jaar privé-tekenles om vervolgens te gaan studeren aan de Haagse academie (1884-1886). In 1886 behaalde hij zijn MO-akte, waarna hij voor enige maanden naar Parijs vertrok, waar hij vooral onder de indruk raakte van het werk van de schilders uit de School van Barbizon. Terug in Den Haag ging hij landschappen en stadsgezichten schilderen in een door een brede penseelvoering en een vrij donker koloriet gekenmerkte stijl. Regelmatig werkte hij in deze jaren in Zuid-Limburg, waar de familie van zijn moeder een landgoed bezat.
Vanaf 1895 hield Van Konijnenburg zich tevens bezig met grafiek en toegepaste kunst. Hij tekende spotprenten voor De Kroniek (tot 1897) en de Nederlandsche Spectator (van 1896 tot 1901) en ontwierp enkele affiches. Verder vervaardigde hij een paar kleine glas-in-lood-raampjes en beschilderde een serie wandpanelen voor de salon van een plezierboot van rederij Fop Smit. In zijn vrije werk begon langzamerhand een strakkere, meer gestileerde manier van vormgeven zichtbaar te worden, mede onder invloed van de kunst uit de middeleeuwen en renaissance, die hij tijdens volgende bezoeken aan Parijs, in 1901 en 1906, intensief bestudeerde.

b. Drieluik ‘Ontsluiering’, 1924; gemengde techniek, ca. 140 x 175 (met lijst) (aangekocht met steun van de Vereniging Rembrandt).

Vanaf circa 1905 kende Van Konijnenburgs werkwijze een snelle evolutie, waarbij alle elementen die nog aan het impressionisme herinnerden verdwenen. Hij ontwikkelde binnen enkele jaren een geheel nieuwe stijl, die gekenmerkt wordt door een strakke indeling van het beeldvlak, waarbij de compositie is opgebouwd op basis van een complex geometrisch lijnenpatroon. Zijn koloriet werd daarbij veel helderder, hoewel het altijd een gedempte, enigszins grijsachtige ondertoon bleef behouden. Zijn onderwerpskeuze werd nu sterk symbolistisch van inslag en ging naast scènes uit o.a. de (oude) geschiedenis, de bijbel en de klassieke mythologie, ook monsters, fabelwezens en allerlei zelf bedachte personificaties omvatten. Behalve in olieverf ging hij ook veel in krijt, pastel en allerlei mengtechnieken werken, waarin hij, met name na ca. 1915, niet alleen losse taferelen vervaardigde, maar ook diverse bij elkaar behorende series en drieluiken.
Vanaf 1908 heeft Van Konijnenburg zijn ideeën over kunst ook in lezingen en geschriften uiteengezet. Zijn belangrijkste publicaties zijn: Het wezen der schoonheid en De waarde der impressionistische schilderkunst (beide uit 1908), Karakter der eenheid in de schilderkunst (1910) en De aesthetische idee (1916). In deze vier boeken heeft hij op een zeer uitvoerige, maar niet altijd even toegankelijke wijze, uiteengezet dat het er in de kunst niet om gaat de ‘toevallige’ werkelijkheid weer te geven, maar dat het de taak van de kunstenaar is te laten zien wat de essentie (de Idee) is, die achter die werkelijkheid verborgen ligt. Zo kan hij aan de mensen duidelijk maken waartoe zij op aarde zijn en wat hun plaats in het universum is. Deze in verheven orakeltaal vervatte visie op het kunstenaarschap, waarbij de kunstenaar als een soort priester of ziener beschouwd wordt, sprak in de jaren ’20 en ’30 velen in Nederland aan en verleende Van Konijnenburg groot aanzien. Als gevolg daarvan ontving hij diverse eervolle opdrachten voor het ontwerpen van monumentale projecten, waaronder glas-in-lood-ramen voor de Nieuwe Kerk te Delft (1923-27 en 1933-36) en de Nieuwe Kerk te Amsterdam (1938-39), een serie gobelins voor de aula van de Rijksuniversiteit Utrecht (1933-41) en een reliëf in de hal van het Haags Gemeentemuseum (1934-40). Daarnaast ontwierp hij verscheidene postzegels.

c. Sperwer, 1923; gekleurd krijt, 65,5 x 49,5.

De grote invloed die Van Konijnenburg heeft uitgeoefend is ongetwijfeld voor een belangrijk deel te danken geweest aan zijn charismatische persoonlijkheid en natuurlijk aan het feit dat hij door zijn afkomst toegang had tot de hoogste kringen. Zo was hij in 1921/22 zelfs enige maanden tekenleraar van koningin Wilhelmina. Waarom zijn werk op veel van zijn tijdgenoten, onder wie zowel leken als kunstenaars, zo’n enorme indruk heeft gemaakt, is voor de kunstliefhebber van tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer te doorgronden. Wie dat werk goed bekijkt zal echter tot de conclusie komen dat Van Konijnenburg in ieder geval een virtuoos schilder en tekenaar is geweest en een oeuvre heeft nagelaten dat op zijn minst zeer interessant is te noemen.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

a. Fotodienst Provincie Drenthe
bc. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel