Idserda, André

(Vlagtwedde 1879 - 1952 Hilversum)

a. De zijmuur van de kerk van Dwingelo, ca. 1920; olieverf op doek, 74 x 97,5.

Idserda, wiens vader douanier was, bracht vanaf 1890 zijn jeugd door in Zaandam, waar hij naar de HBS ging en daarna korte tijd leerjongen bij een huisschilder was. Vervolgens volgde hij enkele jaren in Amsterdam de Rijksnormaalschool om daarna zijn opleiding te voltooien aan de academie van Antwerpen. Hier raakte hij bevriend met Walter Vaes (1882-1958) en Constant Permeke (1886-1952). Rond 1905 keerde hij terug naar Nederland en ging inwonen bij zijn moeder, die na het overlijden van zijn vader in Laren was gaan wonen. Net als veel andere Larense schilders ging hij zich toeleggen op het schilderen van boereninterieurs, die goed verkocht werden. Dit bevredigde hem echter na enige tijd niet meer en, nadat hij in 1911 getrouwd was, trok hij weer naar België. Daar vond hij een huis in het gehucht Achterbos bij Mol, waar ook de schilder Jacob Smits (1855-1928) woonde. Behalve in de omgeving van Achterbos werkte hij ook geregeld in Brugge, waar hij al spoedig met zijn stadsgezichten de aandacht trok. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog deed hem in 1914 naar Nederland terugkeren, waar hij met zijn vrouw weer introk bij zijn moeder, die ondertussen naar Oud-Loosdrecht was verhuisd. Om meer vrijheid te hebben kocht hij een woonboot, waarmee hij door Nederland ging rondtrekken. Zo kwam hij tegen 1920 in Meppel terecht, waar een achternicht van hem woonde. Zij was getrouwd met de eigenaar-directeur van uitgeverij Boom, die onder meer de Meppeler Courant deed verschijnen, en hield veel van kunst. Ze zorgde ervoor dat Idserda enkele portretopdrachten kreeg, kocht af en toe een schilderij of tekening en introduceerde hem bij andere kunstliefhebbers in en om Meppel. Verder raakte hij bevriend met enkele Meppeler (amateur)schilders, onder wie Antony Keizer en Albert Torie, die hij raadgevingen gaf en met wie hij geregeld in de natuur en de dorpen van Zuidwest-Drenthe ging werken.

b. Stilleven, jaren ’30; olieverf op doek, 13 x 28,5.

Na een paar jaar werd Meppel echter te benauwd voor hem en via enige omzwervingen belandde hij in 1925 weer in Brugge. Ook hier woonde hij op een boot, waarin hij nu een permanente expositieruimte had ingericht. Daarnaast had hij echter ook diverse grotere exposities bij galerieën en kunsthandels. Vanuit Brugge ging hij overigens geregeld voor langere periodes naar Hilversum, waar zijn zoon Jacques, die ook schilder was geworden, zich had gevestigd. In de Tweede Wereldoorlog verbleef hij een tijdlang in Den Bosch, maar nadat zijn atelier daar door een bom was getroffen en een deel van zijn werk verloren was gegaan, trok hij naar Hilversum. Vanaf eind jaren ’40 werkte hij opnieuw enkele jaren in Drenthe – nu in Diever – waarna hij de laatste jaren van zijn leven weer in Hilversum doorbracht.
Idserda’s oeuvre omvat landschappen, stads- en dorpsgezichten, stillevens, interieurs en enkele portretten. Zijn manier van schilderen wordt gekenmerkt door een zware, pasteuze verfbehandeling en een diep, donker koloriet, dat een sterke beïnvloeding verraad door het Belgische expressionisme. Hij heeft ook veel tekeningen gemaakt, meestal in zwart en rood krijt, die een vergelijkbare sombere sfeer uitstralen.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

ab. JAV Studio’s, Assen