Graadt van Roggen, Johannes Mattheus

(Amsterdam 1867 - 1959 Alkmaar)

a. Steeg in Amsterdam, ca. 1900; ets, 20 x 8,5.

Graadt van Roggen, die vanaf zijn derde jaar door een ongeval doofstom was, kreeg zijn schoolopleiding op een doofstommen-instituut te Groningen. Vervolgens werkte hij enige tijd op een lithografisch bedrijf in diezelfde stad, waar hij in de avonduren de lessen volgde aan Academie Minerva. In 1883/84 volgde hij een jaar de dagopleiding aan deze academie. Meteen daarna ging hij naar Amsterdam om daar de Rijksakademie te bezoeken, waar hij o.a. etsen leerde. In 1890 behaalde hij met een schilderij de eerste prijs in de Willink van Collen-wedstrijd, maar nadat hij zich in 1892 in Haarlem had gevestigd (waar hij lid werd van ‘Kunst Zij Ons Doel), ging hij zich toeleggen op het etsen.

b. Gezicht op Grave aan de Maas, 1899; potlood en zwart krijt, 33,5 x 38.

Aanvankelijk maakte hij hoofdzakelijk reproductie-etsen naar schilderijen van oude meesters en van schilders uit de Haagse School, waarvoor hij in vakkringen veel waardering kreeg. Daarnaast begon hij echter ook al spoedig met oorspronkelijk etswerk naar buiten te treden, vooral met landschappen en dorps- en stadsgezichten, waarmee hij ook succes had. Met name de map ‘Dordrecht’, die hij in 1896 samen met W.O.J. Nieuwenkamp maakte (6 etsen: 3 van elk), werd door de critici zeer gunstig beoordeeld.
Na zijn huwelijk vestigde Graadt van Roggen zich in 1900 in Bergen, waar hij een van de eerste kunstenaars was die er permanent gingen wonen. Na enkele jaren volgden anderen, onder wie zijn vrienden J.G. Veldheer en Tjipke Visser. Vanuit Bergen trok hij er echter graag op uit en hij werkte niet alleen op diverse plaatsen in eigen land, maar ook in België, Frankrijk, Italië, Spanje, Duitsland, Scandinavië en de Balkan. Exposeren deed hij eveneens op vele plaatsen in binnen- en buitenland en vaak met veel succes. Zo behaalde hij in 1904 een gouden medaille te Saint Louis (USA) en in 1905 een zilveren medaille te Luik.

c. Duinlandschap, 1918; kleurenhoutsnede, 24,5 x 30.

Naast etsen heeft hij vanaf 1895 ook af en toe houtsneden gemaakt en vanaf 1908 tevens incidenteel litho’s. Daarnaast heeft hij gedurende zijn gehele loopbaan getekend en, met name op latere leeftijd, geschilderd en geaquarelleerd. Dat laatste werk haalt echter bij lange na niet het niveau van zijn grafiek. Zijn prenten, met name zijn vroege etsen, worden gekenmerkt door een grote technische beheersing en een verzorgde, zeer doorwerkte vormgeving. Zijn latere werk, waarin de nadruk meer op de grote lijnen in de compositie ligt, sluit aan bij het expressionisme.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.

abc. Tom Haartsen, Ouderkerk a/d Amstel