Garf, Salomon

(Amsterdam 1879 - 1943 Auschwitz)

a. Zelfportret, 1914; olieverf op doek op paneel gelijmd, 19,5 x 15.

Garf, wiens vader effectenhandelaar was, kreeg zijn eerste tekenlessen op de Hendrik de Keyserschool. Daarna werd hij leerling van de Quellinusschool, vervolgens van de Rijksschool voor Kunstnijverheid en tenslotte van de Rijkskademie. In 1904 dong hij mee naar de Prix de Rome, maar hoewel de jury waardering had voor de wijze waarop hij het opgegeven onderwerp, De profeet Eliza wekt de zoon van Sunamitische vrouw uit de dood op, in beeld had gebracht, werd de prijs toch unaniem aan Jan Sluijters toegekend. Kort daarop vestigde hij zich in Laren, waar hij zich ging toeleggen op het schilderen van boereninterieurs, stillevens en af en toe een landschap, in een vlotte, kleurige stijl.

b. De profeet Elisa wekte de zoon van de Sunamitische vrouw uit de dood op, 1904; olieverf op doek, 150 x 120 (met dit schilderij dong Garf in 1904 mee naar de Prix de Rome).

In 1914 keerde hij terug naar Amsterdam en won een prijs uit het Willink van Collenfonds. In plaats van boerinnen ging hij nu vooral elegante mondaine vrouwen in interieurs schilderen en hij kreeg steeds meer succes als portrettist. Daarnaast was hij actief als graficus, vooral als etser en maker van houtsnedes; een van zijn bekendste prenten is een ets van de Magere Brug in Amsterdam, die in 1929 als premieplaat van de Vereeniging tot Bevordering van Beeldende Kunsten verscheen.
In de jaren ’20 en ’30 was Garf een geziene figuur in de Amsterdamse kunstwereld. Hij exposeerde regelmatig, onder meer bij Arti et Amicitiae, waarvan hij sinds 1917 stemhebbend lid was (hij was overigens al vanaf 1905 gewoon lid) en zijn werk werd doorgaans zeer positief besproken.

c. Stilleven met schildersgerei, jaren ’20; olieverf op doek, 61 x 81.

In 1929 had hij ter gelegenheid van zijn 50ste verjaardag een eretentoonstelling bij Kunsthandel Frans Buffa en in 1933 kreeg hij voor een van zijn schilderijen de gouden medaille die jaarlijks namens koningin Wilhelmina aan een lid van Arti werd uitgereikt. Verder vervulde hij binnen deze vereniging diverse functies en hij was vanaf 1938 bestuurslid. De bezetting maakte aan dit alles echter abrupt een einde; omdat hij jood was werd hij, evenals alle andere joodse leden, in 1941 op last van de Duitsers als lid uitgeschreven. Het jaar daarop werd hij naar Kamp Westerbork afgevoerd en van daaruit in 1943 naar Auschwitz getransporteerd. Hier is hij op 27 augustus vermoord. Gelukkig wist een leerlinge van hem nog een deel van de inhoud van zijn atelier in veiligheid te brengen, voordat de Duitsers het kwamen leeghalen.

Dit artikel (van de hand van Jan Jaap Heij) is met toestemming van de rechthebbenden (Drents Museum en uitgever WBOOKS BV) ontleend aan het boek 'Vernieuwing & Bezinning' dat niet meer zal worden herdrukt.